Nieuwsbrief voor overheden

Het instellen van verzet tegen een dwangbevel heeft schorsende werking, maar daarmee kan een faillissementsverzoek dat is gebaseerd op vorderingen waarvoor het dwangbevel is afgegeven niet worden afgeweerd.

Bij de rechtbank Den Haag was onlangs een faillissementsverzoek aanhangig dat was ingediend door de Ontvanger van de Belastingdienst en was gericht tegen een natuurlijk persoon.

Op grond van het bepaalde in artikel 1 lid 1 van de Faillissementswet (Fw) wordt een schuldenaar, die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer van zijn schuldeisers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.

In dit geval was er geen sprake van een eigen aangifte tot faillietverklaring, maar van een verzoek tot faillietverklaring door een andere partij. Om dat verzoek te honoreren, moet ingevolge artikel 6 lid 3 Fw summierlijk (dus na beperkt onderzoek door de rechter) blijken van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantonen dat degene tegen wie het verzoek zich richt (hierna: de verweerder) in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en van het vorderingsrecht van de aanvragende schuldeiser.

Een schuldeiser in de zin van dit artikel is iedereen die een vordering tot voldoening uit de boedel van de schuldeiser kan instellen, een vordering die bij niet-voldoening leidt tot verhaal op de boedel. Het moet dus een opeisbare vordering zijn.

Om de toestand van te hebben opgehouden te betalen aan te kunnen nemen, is noodzakelijk dat de verweerder meerdere schuldeisers heeft, waarvan er in ieder geval één een opeisbare vordering heeft. Maar zelfs in dat geval moet nog worden onderzocht of genoemde toestand aan de orde is. Over het algemeen moet sprake zijn van een zekere tijdsduur waarbinnen vorderingen onbetaald blijven.

In het onderhavige geval had de Ontvanger uit hoofde van onherroepelijk vaststaande aanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen, kansspelbelasting, premieheffing en omzetbelasting over de periode 1989-1994 een opeisbare vordering van ruim € 2,5 miljoen op de verweerder. Daarnaast liet verweerder in ieder geval twee andere crediteuren onbetaald.

De Ontvanger stelt zich dus op het standpunt dat aan de voorwaarden voor faillietverklaring van de verweerder is voldaan. Volgens de verweerder was daarmee de kous echter niet af, omdat in dit geval een algemene regel, die ook voor de verzoeker tot faillietverklaring, zou moeten leiden tot afwijzing van het verzoek. Dit betreft de algemene regel dat iemand een hem toekomende bevoegdheid niet mag misbruiken. Deze regel is gecodificeerd in artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Volgens de verweerder maakt de Ontvanger in casu misbruik van zijn bevoegdheid om de faillietverklaring van de verweerder te verzoeken. Dat misbruik is erin gelegen dat de Ontvanger ter zake van zijn vorderingen aan de verweerder een dwangbevel had opgelegd, waartegen de verweerder verzet had ingesteld. Het ingestelde verzet schorst het dwangbevel. Daarmee is executie van het dwangbevel dus vooralsnog niet mogelijk en de Ontvanger probeerde daaraan volgens de verweerder te ontkomen door het indienen van de faillissementsaanvraag. Dat was volgens hem zelfs de enige reden waarom de Ontvanger de faillissementsaanvraag indiende.

De rechtbank volgde de verweerder echter niet in dat betoog en overwoog dat verzet tegen een dwangbevel noch op grond van de wetgeving op basis waarvan dat is opgelegd (in casu de Invorderingswet (Iw) 1990) noch op grond van de Fw aan een faillissementsaanvraag in de weg staat. Het verzet schorst enkel het dwangbevel. Omdat het verzet niet aan de aanvraag in de weg staat, is ook de kans van slagen van dat verzet daarvoor niet van belang en hoeft het verzet dus niet eerst te worden afgewacht, voordat geoordeeld kan worden over de faillissementsaanvraag.

Dat leidt dus tot de conclusie dat het verzet tegen het dwangbevel in ieder geval op grond van de Fw niet aan een faillissementsaanvraag in de weg staat. Slechts wanneer de wetgeving op grond waarvan het dwangbevel is opgelegd bepaalt dat verzet aan een faillissementsaanvraag in de weg staat, is dat een effectief middel ter afwering van een faillissementsaanvraag.

Rb Den Haag 12 september 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBDHA:2017:10784

Door Floris Lewis

"

Actualiteiten overzicht