Nieuwsbrief voor overheden

Overheidsaansprakelijkheid. Gemeente heeft onrechtmatig gehandeld door niet te melden dat de gevraagde (en geweigerde) bouwvergunning reeds van rechtswege was verleend. Vervolgens is een schadebesluit verzocht en na afwijzing tevergeefs een bestuursrechtelijke procedure doorlopen. Afgewezen wegens gebrek aan causaal verband tussen schade en besluit. In de tussentijd is de civiele actie niet verjaard, want het verzoek om een schadebesluit heeft stuitende werking. Omvang van de schade. Bewijslevering met betrekking tot de stelling dat ten tijde van de verlening van de bouwvergunning de benodigde financiering wel had kunnen worden verkregen en ten tijde van de mededeling van het verlenen van de vergunning, na de crisis, niet meer. In overweging wordt gegeven deskundigen te horen op grond van artikel200 Rv.

Een burger vraagt in 2006 een bouw- en een monumentenvergunning aan bij de gemeente Amsterdam. Aanvrager wil in de kelder van haar pand een kapperszaak maken met 14 afzonderlijk te verhuren kappersstoelen. De aanvragen worden afgewezen. Daartegen ingesteld beroep wordt tot in hoogste instantie ongegrond verklaard. Ter zitting van de Afdeling in mei 2009 deelt de gemachtigde van de gemeente mee dat de beide vergunningen in 2007 van rechtswege waren verleend door overschrijding van de beslistermijn. Later werd dit door de gemeente aan de aanvrager bevestigd.

In juni 2010 verzoekt betrokkene de gemeente om een zelfstandig schadebesluit. Een jaar later wijst de gemeente dit schadeverzoek af wegens het ontbreken van causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de schade. Daartegen ingesteld beroep wordt wederom tot in hoogste instantie afgewezen. Het draait er onder meer om dat aanvrager geen begin heeft gemaakt met de voorgenomen verbouwing. De kelder staat veelal onder water. Zij kan de financiering van het bouwplan niet rond krijgen. Mede daarom wordt het causaal verband door de gemeente niet aangenomen.

Nadat het schadeverzoek definitief is afgewezen, stelt betrokkene de gemeente civielrechtelijk aansprakelijk. De gemeente beroept zich op verjaring. Immers, de aansprakelijkstelling in november 2014 dateert meer dan 5 jaar nadat betrokkene in mei 2009 te horen had gekregen dat er vergunningen van rechtswege waren ontstaan. Bovendien heeft de Afdeling in februari 2014 afwijzend geoordeeld over het verzoek om een zelfstandig schadebesluit, waarna pas in november 2014 de aansprakelijkstelling is gevolgd, en dat was dus niet binnen de termijn van 6 maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW. Daarmee was, aldus de gemeente, de stuitende werking van het verzoek om een zelfstandig schadebesluit vervallen. Het in 2010 ingediende verzoek om een zelfstandig schadebesluit (met latere aanvullingen) was volgens haar geen aansprakelijkstelling op grond van artikel 6:162 BW.

Het hof gaat in dit betoog niet mee. In zijn uitspraak citeert het hof de brief van 16 juni 2010. Daarin heeft betrokkene weliswaar gevraagd om een zelfstandig schadebesluit, maar er staat ook dat betrokkene zich op het standpunt stelt dat de gemeente aansprakelijk is. Het hof concludeert dan ook dat zij in deze brief op niet voor misverstand vatbare wijze heeft kenbaar gemaakt dat de gemeente nalatig was geweest en dat zij daarom de gemeente aansprakelijk houdt voor de gevolgen daarvan. Zij heeft te kennen gegeven vergoeding van schade te wensen en zegt daarmee ondubbelzinnig haar recht op nakoming van de schadevergoedingsverbintenis te hebben voorbehouden. Daaraan doet niet af dat betrokkene aanvankelijk de route van het zelfstandig schadebesluit heeft gevolgd. Een beperking tot uitsluitend schade op grond van bestuursrechtelijke aansprakelijkheid, dus via de weg van het schadeverzoek, is in de brief van 16 juni 2010 niet te lezen. Aangezien de brief de verjaring van de schadevergoedingsverbintenis heeft gestuit, doet het niet terzake dat na de afwijzende beslissing van de Afdeling niet binnen 6 maanden een andere stuitingshandeling heeft plaatsgevonden. Als gevolg van de stuiting door de brief d.d. juni 2010 is een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen, die pas eindigde in juni 2015; binnen deze termijn heeft betrokkene de gemeente opnieuw aansprakelijk gesteld bij de brief van november 2014 waardoor opnieuw de verjaring is gestuit.

Voor wat betreft het causaal verband laat het hof betrokkene toe tot het bewijs dat zij in 2007 wel financiering kon krijgen en vanaf 2009 niet meer. Zij wil middels getuigen bewijzen dat in 2007 de Rabobank, Zwitserleven en ook Aegon bereid waren om haar krediet te verlenen. De zaak gaat wel ergens over: de claim beloopt meer dan € 9 miljoen!

Hof Amsterdam 26 juni 2018, www.rechtspraak.nl:ECLI:NL:GHAMS:2018:2114

Door Rikkert Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht