Nieuwsbrief voor overheden

De zaak betreft een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Breda in maart 2024 verleende voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten behoeve van een zelfstandige tandartsenpraktijk op een perceel met de bestemming “Wonen” in Teteringen. Het bezwaar van omwonenden werd ongegrond verklaard.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde op 26 mei 2026 het besluit op bezwaar. Zij oordeelde ambtshalve dat het college niet bevoegd was de vergunning te verlenen, omdat het ten onrechte niet de gemeenteraad om advies had gevraagd op grond van artikel 16.15a, onder b, onder 1°, van de Omgevingswet. Daarnaast bestond volgens de rechtbank op verschillende punten onduidelijkheid over wat precies was vergund. Alle partijen stelden hoger beroep in. Het college vroeg daarnaast om een voorlopige voorziening, inhoudende dat het geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Uitgangspunt: uitspraken worden uitgevoerd
De voorzieningenrechter laat de rechtsvragen die partijen verdeeld houden uitdrukkelijk liggen, waaronder de vraag of het niet vragen van een bindend advies aan de raad een ambtshalve te beoordelen bevoegdheidskwestie is. Vervolgens formuleert hij het uitgangspunt: rechterlijke uitspraken moeten worden uitgevoerd. Uit artikel 6:16 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb volgt dat hoger beroep geen schorsende werking heeft. Ook bij een lopend hoger beroep moet na vernietiging dus in beginsel een nieuw besluit op bezwaar worden genomen. Dat dient bovendien de efficiënte en finale geschilbeslechting, omdat het nieuwe besluit op grond van artikel 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb in het hoger beroep wordt meegenomen. Het college kan dat besluit nemen onder behoud van zijn standpunt in hoger beroep. Blijft de rechtbankuitspraak niet in stand, dan ontvalt aan het nieuwe besluit de grondslag en wordt het vernietigd.

Van dat uitgangspunt ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding af te wijken. Het vragen van advies aan de raad, het nader motiveren van de reikwijdte van de vergunning en het ingaan op de effecten op de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties acht hij niet zo bewerkelijk dat dit niet van het college kan worden gevraagd. Onomkeerbare gevolgen zijn niet aannemelijk gemaakt. De vrees van het college dat het voortaan bij iedere buitenplanse omgevingsplanactiviteit de raad om advies moet vragen, weegt evenmin zwaar: de rechtbankuitspraak beperkt zich in beginsel tot het concrete geschil en het college werkt inmiddels aan aanpassing van de lijst met categorieën gevallen waarin advies van de raad verplicht is.

Hoge drempel
Opvallend is dat de voorzieningenrechter zich in het geheel niet uitlaat over de kansen van het college in hoger beroep, terwijl de bevoegdheidsvraag bepaald niet uitgemaakt is. Dat is anders dan in een eerdere zaak, waarin de voorzieningenrechter bij de afwijzing van een vergelijkbaar verzoek wel een voorlopig oordeel over het hoger beroep gaf en verwachtte dat de rechtbankuitspraak stand zou houden (Vzr. ABRvS 10 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3634). In de Breda-zaak draagt het uitgangspunt de afwijzing kennelijk zelfstandig. Daaruit leid ik af dat ook een bestuursorgaan met serieuze argumenten in hoger beroep niet op schorsing hoeft te rekenen, zolang uitvoering van de uitspraak niet onevenredig bewerkelijk is en niet tot onomkeerbare gevolgen leidt. Die maatstaf staat niet letterlijk in de uitspraak, maar volgt uit de toetsingspunten die de voorzieningenrechter hanteert. Toewijzing zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn.

Voor de praktijk betekent dit dat een bestuursorgaan dat hoger beroep instelt, er rekening mee moet houden dat het tijdens het hoger beroep een nieuw besluit moet nemen. Neem dat besluit uitdrukkelijk onder behoud van het eigen standpunt in hoger beroep. Een verzoek om voorlopige voorziening heeft alleen zin als concreet kan worden gemaakt dat uitvoering buitensporig veel werk vergt of onomkeerbare gevolgen heeft; een algemene vrees voor precedentwerking volstaat niet. 

Vzr. ABRvS 15 september 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:5425.   

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team