Nieuwsbrief voor overheden
Een groenstrook met dubbele betekenis
De zaak draaide om een bewoner die naast een gemeentelijke groenstrook woonde. Die strook werd door buurtbewoners gebruikt voor sport- en spelactiviteiten, waaronder voetbal.
De bewoner stelde dat sprake was van structurele en ernstige geluidsoverlast. Groepen zouden er soms uren achter elkaar spelen, roepen en voetballen, waarbij de muur van zijn kantoorruimte aan huis als doel voor bij het voetballen werd gebruikt.
De gemeente had al maatregelen genomen. Zo was extra beplanting aangebracht om te voorkomen dat de muur van de woning als voetbalwand werd gebruikt. Dat hielp volgens de bewoner wel, maar niet genoeg. Hij wilde dat de gemeente verdergaande maatregelen zou treffen, zodat collectief sport- en spelgebruik op de groenstrook werd ontmoedigd of onmogelijk gemaakt.
De gemeente zag daarvoor geen aanleiding. Volgens haar was de groenstrook openbare ruimte die door iedereen mag worden gebruikt, dus ook door spelende buurtbewoners. Dat de bewoner daarvan enige reuring ervaart, maakt volgens de gemeente nog niet dat zij verplicht is om het gebruik te beperken. Bij overmatig overlast kon de bewoner melding doen bij politie of een handhavingsverzoek indienen.
De bewoner stapte uiteindelijk naar de rechter en vorderde dat de gemeente werd veroordeeld om doeltreffende maatregelen te nemen tegen de gestelde hinder.
Wat vond de rechtbank?
Speelvoorzieningen vallen binnen de bestemming GroenDe rechtbank stelde eerst vast dat de groenstrook de bestemming “Groen” heeft. Volgens het bestemmingsplan zijn binnen die bestemming niet alleen groenvoorzieningen toegestaan, maar ook speelvoorzieningen. Volgens de rechtbank gaat het hierbij niet alleen om speeltoestellen, maar ook om sport- en spelactiviteiten, waaronder voetbal. Dat de groenstrook in de praktijk wordt gebruikt voor collectief spel, maakte dus niet dat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan (daarbij speelde mee dat de groenfunctie nog steeds zichtbaar aanwezig was).
Ook het argument dat de bewoner de feitelijke aanleg van de groenstrook niet had hoeven verwachten, hielp hem niet. De bestemming “Groen” gold al op het moment dat hij eigenaar werd van zijn kavel. Daarmee moest hij rekening houden met gebruik als speelvoorziening in brede zin.
De lat voor onrechtmatige hinder ligt hoog
De kern van de zaak zag niet alleen of sprake was van hinder in civielrechtelijke zin, maar ook hoe de gemeente als eigenaar en beheerder van openbare ruimte met de betrokken belangen moest omgaan. De rechtbank beoordeelde de gestelde hinder aan de hand van artikel 5:37 BW in samenhang met artikel 6:162 BW, maar betrok daarbij nadrukkelijk dat het ging om gemeentelijk handelen in de openbare ruimte.
Dat is relevant, omdat de gemeente bij de aanleg, inrichting, het beheer en de eventuele regulering van de groenstrook weliswaar feitelijk handelt, maar daarbij niet losstaat van de publiekrechtelijke normen die voor haar gelden. Via artikel 3:14 BW en artikel 3:1 lid 2 Awb moet de gemeente ook bij privaatrechtelijk of feitelijk handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen. De rechtbank toetste daarom niet alleen aan het burenrechtelijke hinderverbod, maar ook aan de vraag of de gemeente haar zorgplicht en belangenafweging voldoende serieus had genomen.
In dat verband stond de belangenafweging centraal. Aan de ene kant stond het belang van de bewoner bij rustig woongenot en ongestoord gebruik van zijn woning en kantoorruimte. Aan de andere kant stond het gemeentelijke belang bij het beschikbaar houden van openbare speelruimte in een woonwijk. De rechtbank keek daarbij naar de aard, ernst en duur van de gestelde hinder, maar ook naar de bestemming van de groenstrook, het gemeentelijke speelruimtebeleid, de functie van de locatie in de wijk en de vraag of minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren.
De rechtbank vond dat de gemeente die afweging voldoende had kunnen maken. Daarbij speelde mee dat de groenstrook planologisch mede was bedoeld voor sport en spel, dat de locatie onderdeel was van het gemeentelijke speelruimtebeleid en dat de gemeente het belang van collectief spel in de wijk kenbaar had betrokken. De enkele omstandigheid dat één omwonende het gebruik als zeer belastend ervaart, verplicht de gemeente dan nog niet om de openbare functie van de groenstrook wezenlijk te beperken.
Waarom is deze uitspraak relevant voor gemeenten?
De uitspraak maakt duidelijk dat gemeenten bij de inrichting en het beheer van de openbare ruimte niet alleen beleidsruimte hebben, maar ook gehouden zijn de belangen van omwonenden zorgvuldig af te wegen. Klachten van omwonenden over hinder kunnen aanleiding geven tot nader onderzoek naar de aard, ernst en duur van die hinder. Daar staat tegenover dat de gemeente ook het algemene belang bij toegankelijke en bruikbare openbare speelruimte in de wijk mag meewegen. Doorslaggevend is uiteindelijk of de gemeente inzichtelijk kan maken dat zij beide belangen heeft onderkend, tegen elkaar heeft afgewogen en, waar nodig, heeft bezien of minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn zonder de openbare functie van de groenstrook onevenredig te beperken.
Rb. Overijssel, 16 juni 2026: www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBOVE:2026:3722.