Nieuwsbrief voor overheden
Handhaving van het verbod in de APV om inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Voldoende aannemelijk dat handschoenen en schroevendraaiers waren bestemd om in te breken. Geen dubbele sanctie.
Artikel 45 van de APV van de gemeente Barneveld luidt:
- Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
- Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Dit verbod komt niet alleen voor in de APV van Barneveld. Het verbod staat in artikel 2:44 (afdeling 11 ‘Maatregelen tegen overlast en baldadigheid’) van de model APV van de VNG. De toelichting op dit artikel vermeldt dat de verbodsbepaling het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak beoogt te bemoeilijken.
Ik heb niet vaak gezien dat dit verbod gehandhaafd wordt. Op rechtspraak.nl vond ik alleen een uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:916) over een besluit van het college van B en W van Putten tot handhaving van dit verbod.
Je kunt je afvragen hoe effectief dit soort besluiten zijn. De last geldt uitsluitend voor wat betreft het grondgebied van de gemeente. Als de inbreker uitwijkt naar een andere gemeente en daar dezelfde overtreding begaat, verbeurt hij geen dwangsom. Het college van B en W van Barneveld wilde echter kennelijk een signaal afgeven en besloot tot handhaving van dit verbod.
Aanleiding was een controle door de politie. De politie had een auto staande gehouden. Bij het doorzoeken van de auto vond de politie handschoenen in beide portiersvakken en twee grote schroevendraaiers achter de middenconsole.
De aandacht richtte zich op de bijrijder van de auto. Uit de uitspraak wordt niet duidelijk of en, zo ja, waarom de chauffeur buiten schot blijft.
De bevindingen van de politie worden in de uitspraak beschreven:
“Bij het doorzoeken van de auto heeft de politie handschoenen in beide portiersvakken en twee grote schroevendraaiers achter de middenconsole gevonden. Een van de schroevendraaiers was afgeschermd door een stuk zwart plastic. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat [appellant] de politie ongevraagd te kennen gaf dat de gevonden gereedschappen niet van hem zijn. Verder bleek [appellant] voor te komen in de politiesystemen ter zake van 18 delicten en 74 registraties, waaronder inbraken.”
De bijrijder ontving vanwege overtreding van artikel 45 APV een strafbeschikking van de OvJ. Het college van B en W besloot de bijrijder de last onder dwangsom op te leggen om zich, kort gezegd, te onthouden van verdere overtreding van artikel 45 APV. De dwangsom werd bepaald op een bedrag van € 2.500,-- per overtreding met een maximum van € 10.000.--.
Het college merkte de handschoenen en schroevendraaiers aan als inbrekerswerktuigen. De Afdeling overweegt dat het college terecht tot die conclusie is gekomen onder de hiervoor geciteerde omstandigheden. Je kunt je afvragen in hoeverre die omstandigheden relevant zijn. Is het niet zo dat handschoenen en schroevendraaiers tot de standaarduitrusting van een inbreker gerekend kunnen worden en reeds daarom als inbrekerswerktuigen kunnen worden aangemerkt?
Dat zou overigens niet betekenen dat iedere timmerman in de gemeente Barneveld in strijd handelt met artikel 45 van de APV wanneer hij met een volle gereedschapskist naar zijn werk gaat of van zijn werk vertrekt. Het verbod is namelijk niet van toepassing, zo bepaalt lid 2, als de werktuigen niet zijn gebruikt of bestemd om in te breken.
De Afdeling overweegt dat die uitzondering zich in dit geval niet voordoet:
“Voorts is niet gebleken dat de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of bestemd waren om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen in de zin van artikel 45, tweede lid, van de APV.”
De dubbele ontkenning in deze overweging is interessant. Het suggereert dat het aan, in dit geval, de bijrijder is om te bewijzen dat de werktuigen niet zijn gebruikt of waren bestemd om in te breken. De spontane ontkenning dat de handschoenen en schroevendraaiers van hem waren, maakte dat de bijrijder niet kon uitleggen dat deze werktuigen niet gebruikt of bestemd waren om in te breken. Daarnaast had de bijrijder de schijn tegen door zijn lange strafblad.
De Afdeling oordeelde dat de bijrijder niet dubbel gestraft werd omdat de last onder dwangsom, anders dan de strafbeschikking, een herstelsanctie is, gericht op het voorkomen van herhaling van de overtreding. Om dezelfde reden oordeelde de Afdeling dat het besluit om de last onder dwangsom op te leggen niet onevenredig is.
ABRvS 12 december 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2018:4039
Door Jaap IJdema
"