Nieuwsbrief voor overheden

In de kwestie die tot de uitspraak heeft geleid was het volgende aan de hand. Eneco Solar B.V. had (voor inwerkingtreding van de Omgevingswet) een omgevingsvergunning aangevraagd voor – samengevat – het realiseren van een grootschalig zonnepark van 37 hectare nabij de Statendamweg in Oosterhout. Bij besluit van 27 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout de omgevingsvergunning verleend. Milieuvereniging Oosterhout heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben het college en Eneco Solar hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Bij besluit van 30 mei 2023 heeft het college opnieuw op de aanvraag beslist en is de vergunning verleend.

De omgevingsvergunning heeft betrekking op het bouwen, uitvoeren van een werk geen gebouw zijnde en gebruik in strijd met een bestemmingsplan. Specifiek gaat het daarbij om het plaatsen van stellages met zonnepanelen en bijbehorende infrastructuur, zoals het aanleggen van bouwwegen, het aanplanten van houtgewas, het plaatsen van camera’s en het plaatsen van een hekwerk met poort. De beoogde locatie van het zonnepark ligt ten noorden van de kern van Oosterhout, net ten zuiden van de A59. Het zonnepark maakt deel uit van een gebied dat wordt aangeduid als het "Energiepark A59", dat verder bestaat uit twee windturbines.

In hoger beroep draait het vooral om de locatiekeuze voor het te realiseren zonnepark. De rechtbank heeft overwogen dat de keuze waar binnen een gemeente een zonnepark mogelijk is, mede afhankelijk is van een afweging tussen mogelijke locaties. Volgens de rechtbank was voor die afweging onvoldoende dat de gekozen locatie niet ongeschikt is voor een zonnepark en moet het college in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook motiveren waarom de gekozen locatie geschikter is dan alternatieve locaties. In dit geval blijkt uit de door de gemeenteraad afgegeven verklaring van geen bedenkingen en de daaraan ten grondslag liggende motivering ook dat de raad een afweging heeft gemaakt van geschikte locaties. De rechtbank oordeelt - in mijn optiek vrij indringend – dat de afweging van geschikte locaties niet overeind kan blijven.

In hun hoger beroepen voeren het college en Eneco Solar onder meer aan dat de rechtbank teveel gewicht heeft toegekend aan het locatieonderzoek en dat het college bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Volgens het college en Eneco Solar B.V. is het project op zichzelf aanvaardbaar en zijn door MVO geen alternatieven aangevoerd waarvan op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren.

De Afdeling volgt het college en Eneco Solar en overweegt in r.o. 7.3:

“Verder wijst de Afdeling erop dat de beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo te verlenen, behoort tot de bevoegdheid van het college. Daarbij geldt dat ingevolge artikel 2.12 van de Wabo de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend, als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter toetst of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De Afdeling verwijst in zoverre naar haar uitspraak van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:844, onder 10.1. Verder moet het college bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent onder meer dat, als het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. De Afdeling verwijst in zoverre naar haar uitspraak van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:340, onder 12 t/m 12.3.”

Volgens de Afdeling heeft het college mogen oordelen dat op zichzelf sprake is van een geschikte locatie en heeft Milieuvereniging Oosterhout onvoldoende onderbouwd dat er alternatieve locaties zijn waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. De hoger beroepen van het college en Eneco Solar zijn daarmee gegrond. De rechtbank heeft een te indringende toets aangebracht.

Deze uitspraak zet helder uiteen wanneer een bestuursorgaan tot weigering van een vergunning moet overgaan als er mogelijk alternatieve locaties beschikbaar zijn. Daarbij benadruk ik dat niet te makkelijk mag worden overgegaan tot het vergelijken van de aangevraagde locatie met andere locaties. Eerst moet immers worden vastgesteld dat de aangevraagde locatie op zichzelf genomen geschikt is voor de te realiseren ontwikkeling. Is dat niet het geval, dan dient de conclusie te worden getrokken dat de vergunning wegens strijd met de goede ruimtelijke ordening (onder oud recht) niet kan worden verleend.


ABRvS 24 september 2025, www.rechtspraak.nl:ECLI:NL:RVS:2025:4559 
 

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team