Nieuwsbrief voor overheden
Ligplaats gerealiseerd in strijd met artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo. Overtreder wijst erop dat elders in de gemeente ook ligplaatsen zijn gerealiseerd in strijd met artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo en dat daartegen niet wordt opgetreden. College van Burgemeester en Wethouders betoogt dat geen sprake is van gelijke gevallen omdat in de andere gevallen een ander bestemmingsplan geldt of de gronden een andere bestemming hebben. Afdeling oordeelt dat dit niet maakt dat het geval niet als een gelijk geval kan worden beschouwd. Kentering in de jurisprudentie?
In Broek in Waterland werd een perceel gebruikt als ligplaats in strijd met artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo. Het college van Burgemeester en Wethouders van Waterland legde de last onder dwangsom op om het gebruik van het perceel als ligplaats te staken en gestaakt te houden. De overtreder betoogde o.a. dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel had gehandeld doordat in de nabije omgeving van zijn perceel tal van gevallen zijn waar in strijd met artikel 2.1 lid 1 Wabo een ligplaats wordt ingenomen.
Het college gaf toe dat in een aantal van de door de overtreder genoemde gevallen in strijd met artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo een ligplaats werd ingenomen. Volgens het college betrof het hier echter geen gelijke gevallen omdat voor deze percelen een ander bestemmingsplan gold of de percelen een andere bestemming hadden dan het perceel van de overtreder.
Dit betoog van het college sluit aan bij de lijn van de jurisprudentie van de Afdeling, zoals die volgt uit de uitspraken van 3 april 2013 en 28 mei 2014.
De uitspraak van de Afdeling van 3 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7599) ging over een last onder dwangsom die was opgelegd omdat er in strijd met artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo voedingsmiddelen in de moskee werden verkocht. Toen de moskee verwees naar een andere moskee in de gemeente waar ook illegaal voedingsmiddelen werden verkocht, maar waartegen het college niet optrad, oordeelde de Afdeling dat dat geen gelijk geval betrof omdat voor die locatie een ander bestemmingsplan vigeerde.
In haar uitspraak van 28 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1911) ging het om een last die was opgelegd wegens de illegale bouw van een tuinhuisje. De overtreder wees erop dat in de omgeving op twee andere locaties ook tuinhuisjes zonder omgevingsvergunning waren gebouwd. De Afdeling oordeelde dat dat geen gelijke gevallen betrof omdat die percelen een andere bestemming hadden dan het perceel van de appellant.
De Afdeling volgt deze uitspraken echter niet en oordeelt dat nu het ook in een aantal van de door de overtreder genoemde gevallen gaat over het illegaal gebruik als ligplaats en het college hiertegen niet optreedt, het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt. Dat in de andere gevallen de percelen een andere bestemming hadden of voor de percelen een ander bestemmingsplan vigeerde, doet daar niet aan af. Zo valt uit deze uitspraak af te leiden.
ABRvS 5 december 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2018:3952
Door Jaap IJdema
"