Nieuwsbrief voor overheden

De feiten
Vergunninghouders splitsten een deel van hun percelen af om er twee vrijstaande bungalows met plat dak te bouwen. Eisers, die op korte afstand een meubelstoffeerderij exploiteren, maakten bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning. Het college verklaarde dat bezwaar gegrond, herriep het primaire besluit en verleende een nieuwe vergunning voor de omgevingsplanactiviteit. Tegen dat besluit stelden eisers beroep in, onder meer omdat de milieuzonering ten opzichte van hun bedrijf onvoldoende zou zijn gemotiveerd en de participatie gebrekkig zou zijn verlopen.

Ambtshalve toets: was een bindend advies van de raad nodig?
De rechtbank onderzoekt eerst ambtshalve of het college wel bevoegd was zelfstandig te beslissen. Op grond van artikel 16.15a en 16.15b van de Omgevingswet kan de gemeenteraad categorieën van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aanwijzen waarvoor een bindend adviesrecht van de raad geldt; ontbreekt zo'n vereist advies, dan ontbreekt de bevoegdheid van het college om te beslissen. De gemeenteraad van Loon op Zand had in een lijst voor verzwaard adviesrecht bepaald dat dit alleen geldt bij woningbouw van meer dan twintig woningen binnen stedelijk gebied. Met twee woningen viel dit project daar ruim onder, zodat het college hier zonder bindend advies van de raad te vragen mocht beslissen.

Eén omgevingsplanactiviteit, alle afwijkingen
Interessanter is de tweede ambtshalve toets. Het college had de vergunning gemotiveerd met een afwijking van drie specifieke bouwregels: het ontbreken van de aanduiding 'vrijstaand', het platte dak in plaats van een kap, en het niet in acht nemen van de vereiste afstand tot de perceelsgrens. De rechtbank constateert echter dat het bouwplan op meer punten met het omgevingsplan in strijd is: er is geen bouwvlak ingetekend op het betreffende perceelsdeel, de bouwactiviteit is in strijd met de 'bruidsschatregel' van artikel 22.26 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, en de aan te leggen uitweg is vergunningplichtig op grond van de APV.

Onder verwijzing naar artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet, dat bepaalt dat een aanvraag om een omgevingsvergunning op één activiteit moet zien, oordeelt de rechtbank dat de wetgever niet kan hebben bedoeld dat een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit wordt verleend voor slechts een deel van de strijdigheden met het omgevingsplan. Een verleende vergunning voor de omgevingsplanactiviteit impliceert dus toestemming voor álle punten waarop het project met het omgevingsplan in strijd is. Omdat het college niet had gemotiveerd dat aan de overige, hierboven genoemde afwijkingen was getoetst, kleeft aan het besluit al om die reden een motiveringsgebrek.

Participatie: vrijwillig karakter blijft overeind
Eisers klaagden dat hun bezwaren tijdens de omgevingsdialoog zijn genegeerd. De rechtbank herhaalt dat participatie onder de Omgevingswet in beginsel vrijwillig is voor de initiatiefnemer, tenzij de gemeenteraad een project heeft aangewezen waarvoor participatie verplicht is; ook hiervoor gold in dit geval geen verplichting. Dat vergunninghouders een informatiebijeenkomst organiseerden waarvoor eisers waren uitgenodigd, en dat hun schriftelijke inbreng niet tot aanpassing van de plannen heeft geleid, maakt de participatie niet gebrekkig: het doel van participatie is burgers vroegtijdig te betrekken, niet om hen een doorslaggevende stem te geven of draagvlak af te dwingen.

Evenwichtige toedeling: bedrijfsbelangen tellen mee, ook via de band van handhaving
Bij de inhoudelijke toets aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties speelt vooral de vraag of de bestaande en toekomstige bedrijfsvoering van eisers onevenredig wordt beperkt door de nieuwe woningen. Het college wierp op dat het relativiteitsvereiste hieraan in de weg zou staan, maar de rechtbank verwerpt dat verweer: eisers kunnen door de komst van de woningen alsnog worden geconfronteerd met klachten of handhavingsverzoeken van de nieuwe bewoners, zodat hun belang bij de te hanteren richtafstanden wel degelijk wordt beschermd door de betrokken normen.

Inhoudelijk komt het college voor de aspecten geur, stof en externe veiligheid met voldoende onderbouwde stukken. Voor de toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf gaat de motivering echter mank: het college voerde aan dat de uitbreidingsmogelijkheden al werden beperkt doordat tussen het bedrijf en de nieuwe woningen ook vergunningvrij een mantelzorgwoning gerealiseerd zou kunnen worden. De rechtbank prikt dit door: voor zo'n mantelzorgwoning is juist een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels vereist, zodat van een vergunningvrije, reeds bestaande beperking geen sprake is. Het besluit mist daarom op dit punt een deugdelijke motivering.

Deze uitspraak is vooral relevant voor de vergunningverleningspraktijk onder de Omgevingswet: een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een alles-of-niets-besluit, dat op straffe van een motiveringsgebrek alle strijdigheden met het omgevingsplan moet adresseren, ook de strijdigheden die pas bij nadere bestudering van de bruidsschat of een gemeentelijke verordening aan het licht komen. Voor derde-belanghebbenden wijst de uitspraak bovendien uit dat bedrijfsbelangen bij nieuwe woningbouw in de buurt niet met een beroep op het relativiteitsvereiste kunnen worden weggewuifd, zolang het risico van toekomstige klachten of handhaving reëel is.

Rb. Zeeland-West-Brabant 26 juni 2026, www.rechtspraak.nlECLI:NL:RBZWB:2026:5638.   

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team