Nieuwsbrief voor overheden

Brabant Water is een nutsbedrijf zonder winstoogmerk waarvan de aandelen in handen zijn van overheden. In het verleden heeft Brabant Water overeenkomsten gesloten met diverse Brabantse gemeenten met betrekking tot het leggen, verleggen, hebben en onderhouden van waterleidingen in gemeentegrond. Daartoe zijn ‘algemene vergunningen’ verstrekt: dat zijn duurovereenkomsten, aangegaan voor onbepaalde tijd. Privaatrechtelijk is op deze wijze onder meer geregeld voor wiens rekening kosten van herstraatwerkzaamheden komen etc., namelijk Brabant Water.

De gemeenten zeggen de overeenkomst op op een termijn van ruim een half jaar. Zij gaan werken met een publiekrechtelijke regeling, de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren (AVOI). Dat heeft tot gevolg dat Brabant Water voortaan een vergunning moet aanvragen voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Verder heeft Brabant Water nog steeds recht op een vergoeding van verleggingskosten op aanwijzing van de gemeente, maar dat recht is niet meer onbeperkt, omdat de hoogte van die vergoeding nu afhankelijk wordt gesteld van het aantal jaren dat de verlegde leiding ongestoord op de oude plaats heeft gelegen. Verder is er geen wezenlijke wijziging.

Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomsten mede worden beheerst door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of deze beginselen bij de opzegging door de gemeenten zijn geschonden, wordt door de rechtbank Zeeland-West-Brabant ontkennend beantwoord.

De omstandigheid dat Brabant Water een nutsbedrijf is dat in overheidshanden is, geeft Brabant Water niet een meer beschermde positie dan andere bedrijven. Brabant Water is betrokken bij het opstellen van de AVOI. Daarom is het niet zo dat de opzegging van de overeenkomsten gepaard moet gaan met een zwaarwegende opzeggingsgrond.

Over de opzegging is ruim van tevoren gecommuniceerd. De publiekrechtelijke regeling moet gaan gelden voor alle ondergrondse netwerken; Brabant Water heeft geen recht op een afwijkende, individuele regeling. De opzegging heeft pas plaatsgevonden na inwerkingtreding van deze publiekrechtelijke regeling. De opzeggingstermijn is ook voldoende. Een schending van de formele zorgvuldigheid is er daarom niet.

Ook materieel is er geen onzorgvuldigheid: het staat de gemeenten vrij om hun beleid te actualiseren en uniformeren. Dat is ook een voldoende motivering.

De rechtbank oordeelt dat nadelige gevolgen van de opzegging door Brabant Water niet duidelijk zijn gemaakt; er is mede daarom geen grond voor schadevergoeding op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Kortom, het vergt enige inspanning, maar het is uiteindelijk mogelijk om langlopende overeenkomsten te beëindigen en vastgeroeste relaties te actualiseren.

Rb Zeeland-West-Brabant 13 januari 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBZWB:2016:168

Door mr. U.T. Hoekstra

"

Actualiteiten overzicht