Nieuwsbrief voor overheden

Een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag liet in een interview in dagblad Trouw weten gewetensbezwaren te hebben tegen een huwelijk of partnerschap tussen mensen van hetzelfde geslacht. Hij gaf in dat interview ook te kennen dergelijke huwelijken niet te sluiten en manifesteerde zich daarmee als ‘weigerambtenaar’. Het college stond voor de vraag hoe hierop te reageren en heeft na enkele gesprekken met betrokkene besloten over te gaan tot ontslag wegens het bestaan van een impasse die in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband. De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep accorderen dit ontslag.

Wat was precies het geval?

Betrokkene is in de periode van 2000 tot 2010 raadslid geweest. Gedurende zijn raadslidmaatschap was hij aangesteld als buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. Na zijn raadslidmaatschap is betrokkene op eigen verzoek opnieuw benoemd tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand tot 1 februari 2013. Het interview in dagblad Trouw is van oktober 2011. In het Rechtspositiebesluit buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag is bepaald dat op de buitengewoon ambtenaar de ontslagbepalingen van hoofdstuk 8 van het Ambtenarenreglement ’s-Gravenhage (hierna: “ARG”, overeenkomend met hoofdstuk 8 van de CAR-UWO) toegepast worden. Het ontslag van betrokkene werd dan ook gebaseerd op artikel 1:16, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek in samenhang met artikel 5 van genoemd Rechtspositiebesluit en artikel 8:8 van het ARG. In het hoger beroep tegen het ontslag past de Centrale Raad de jurisprudentie over ontslag op ‘overige’ gronden toe. De Centrale Raad overweegt dat de opstelling die betrokkene heeft geuit in het Trouw-interview onverenigbaar is met het beleid van de gemeente. Dit beleid is gericht op het vergroten van de sociale acceptatie van homoseksualiteit en het tegengaan van discriminatie. De uitlatingen van betrokkene zijn ook onverenigbaar met de voorbeeldfunctie die de gemeente in dit kader wil vervullen. Dat het beleid ten aanzien van weigerambtenaren strikt genomen alleen betrekking heeft op nieuw aan te stellen weigerambtenaren en niet op al aangestelde (zittende) weigerambtenaren, baat betrokkene niet. Toen dit beleid werd geformuleerd veronderstelde het college dat er bij de gemeente geen weigerambtenaren in dienst waren.

Verder overweegt de Centrale Raad dat het standpunt dat het college heeft ingenomen na het interview in lijn is met de op 1 november 2014 in werking getreden ‘Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) met betrekking tot ambtenaren van de burgerlijke stand die onderscheid maken als bedoeld in de AWGB’. Dit is een opmerkelijke overweging van de Centrale Raad, omdat het ontslagbesluit al uit 2012 dateert. In feite wordt het ontslagbesluit hier dus gesanctioneerd door een wet die ten tijde van het ontslagbesluit nog niet in werking was getreden. Over genoemde wet het volgende: Deze wet biedt gemeenten de vrijheid om weigerambtenaren niet in dienst te nemen of te houden. Weigerambtenaren kunnen zich in een procedure daartegen niet langer beroepen op het verbod van onderscheid op grond van godsdienst of levensovertuiging. In de memorie van toelichting bij de wet is vermeld dat het voor de beoordeling van individuele gevallen van belang is welke verwachtingen door gemeenten bij weigerambtenaren zijn gewekt, maar ook op welke rechtszekerheid weigerambtenaren redelijkerwijs aanspraak kunnen maken. In dat verband komt betekenis toe aan de vraag wanneer een ambtenaar voor het eerst melding heeft gemaakt van zijn gewetensbezwaren: was dat voor of na zijn benoeming? (zie: Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 33 344, nr. 3, p. 15). In deze zaak komen partijen daar niet goed uit met elkaar. Betrokkene zegt dat het college wist of had kunnen weten dat hij bezwaren heeft tegen huwelijken van personen van hetzelfde geslacht en desondanks heeft nagelaten bij zijn aanstelling tot buitengewoon ambtenaar daarnaar te vragen. Het college betwist dit en beweerde dat betrokkene bekend was met het beleid. Bovendien is tijdens het kennismakingsgesprek met betrokkene ook besproken of hij principiële bezwaren heeft tegen het sluiten van een huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht en heeft betrokkene toen laten weten dat hij zo’n huwelijk wel zou sluiten. De Centrale Raad lijkt betrokkene gelijk te geven in zijn stelling dat het niet sluiten van huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht niet ter sprake is gekomen, maar snijdt betrokkene vervolgens de pas af door te overwegen dat hij bij zijn aanstelling zelf melding had moeten maken van zijn gewetensbezwaren en zijn hieruit voortkomende weigering om huwelijken tussen mensen van hetzelfde geslacht te sluiten.

Tenslotte nog een kort woord over de verdragsrechtelijke aspecten van deze zaak. De Centrale Raad verwijst hiervoor naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (“EHRM”) van 15 januari 2013 in de zaak Eweida e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk. Iets meer toelichting over de inhoud van dat arrest was op zijn plaats geweest. Het arrest is voor deze zaak namelijk relevant door wat daarin is geoordeeld over mevrouw Ladele. Zij was gemeentebediende en weigerde om partnerschappen tussen personen van hetzelfde geslacht te registreren. Daardoor kwam dit deel van het werk bij haar collega’s terecht, die zich daarover beklaagden. Mevrouw Ladele bleef weigeren en werd uiteindelijk ontslagen. Het EHRM oordeelde – zo staat ook in de uitspraak van de Centrale Raad - dat het ontslag van een weigerambtenaar gelet op de doelstellingen van het gemeentelijk beleid – het bieden van gelijke kansen en tegengaan van discriminatie – en gelet op de aan het bestuursorgaan toekomende ‘wide margin of appreciation’ geen schending oplevert van het gestelde in de artikelen 9 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst) en 14 (verbod van discriminatie) van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Tenslotte staat naar het oordeel van de Centrale Raad, anders dan betrokkene heeft gesteld, ook in het nationale rechtsbestel geen grondrechtelijk beletsel in de weg aan het ontslag van betrokkene. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank in dit verband ingegaan op het recht op vrijheid van meningsuiting als bevestigd in artikel 7 van de Grondwet. De rechtbank heeft overwogen dat uit het dossier blijkt dat het ontslag van betrokkene niet is gebaseerd op het interview in Trouw als zodanig, maar op het feit dat hij met een beroep op gewetensbezwaren die voortvloeien uit zijn geloofsovertuiging weigert om huwelijken tussen personen van gelijk geslacht te voltrekken. Het ontslag is dan ook niet in strijd met het recht op vrijheid van meningsuiting. De Centrale Raad kan zich hierin vinden.

CRvB 29 februari 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2016:606

Door mr. drs. B.F.Th. de Moor

"

Actualiteiten overzicht