Nieuwsbrief voor overheden
Een ambtenaar werd door de strafrechter veroordeeld voor het bezit van kinderporno. Betrokkene heeft ontkend dat hij wist dat dergelijke bestanden op zijn computer stonden. Hij heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof. Niettemin heeft zijn werkgever hem ontslag verleend wegens wangedrag en daarbij overwogen dat de ontkenning van betrokkene ongeloofwaardig werd gevonden. In de beslissing op bezwaar heeft werkgever erop gewezen dat de uitkomst van het hoger beroep bij het hof niet af deed aan zijn eigen verantwoordelijkheid om in een rechtspositionele zin op te treden. Het ontslag werd in stand gelaten, waar betrokkene zich bij heeft neergelegd. Vervolgens echter oordeelt het hof dat niet bewezen is dat betrokkene het ten laste gelegde heeft begaan en heeft hem daarvan vrijgesproken. De achtergrond is dat het bewijsmateriaal inmiddels was vernietigd, hetgeen voor risico van de vervolgende instantie kwam. Betrokkene heeft zijn werkgever daarop verzocht om terug te komen van het ontslagbesluit.
De Centrale Raad benadert het verzoek van betrokkene vervolgens strikt formeel. Op het verzoek is artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat betrokkene nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet hebben gebracht. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen, danwel feiten of omstandigheden die welliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Volgens de Centrale Raad blijkt uit het arrest van het hof weliswaar dat in de strafrechtelijke procedure vanwege het vernietigen en wissen van bedrijfsmateriaal niet bewezen is dat op de computer van betrokkene kinderporno aanwezig was, maar daarmee is, anders dan betrokkene meent, niet komen vast te staan dat op zijn computer geen kinderporno heeft gestaan. De Centrale Raad is van oordeel dat betrokkene ook in een beroepsprocedure tegen zijn ontslag had kunnen aanvoeren dat op zijn computer geen kinderporno aanwezig was, hetgeen hij niet heeft gedaan. Het ligt niet voor de hand aan te nemen dat de Centrale Raad hiermee heeft bedoeld te zeggen dat betrokkene maar beroep had moeten instellen tegen de beslissing op zijn bezwaarschrift tegen zijn ontslag. Artikel 4:6 Awb biedt immers een (zeer beperkte) aanspraak op wijziging van een voor de belanghebbende belastend besluit. De conclusie moet dus zijn dat de ontkenning van betrokkene dat hij wist dat er bestanden met kinderporno op zijn computer stonden niet gelijk staat aan de ontkenning dat die bestanden aanwezig waren, wat kennelijk was vereist. Bij deze respectieve uitleg van wat betrokkene wel naar voren had gebracht kan natuurlijk hebben meegespeeld dat betrokkene bij het hof het voordeel van de twijfel heeft gekregen omdat het belastende bewijsmateriaal inmiddels was vernietigd. Er was geen sprake van een vrijspraak op grond van een inhoudelijke weging van het bewijs.
In elk geval blijft het ontslag van betrokkene in stand.
CRvB 19 februari 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:Nl:CRVB:2015:482
"