Nieuwsbrief voor overheden

Op grond van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) kan een aanvraag omgevingsvergunning worden geweigerd (of een bestaande vergunning worden ingetrokken) wanneer er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen en om uit strafbare feiten verkregen geld of op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b Wet Bibob). In een recente uitspraak van de Afdeling wordt het toetsingskader voor de weigering van een vergunning op grond van de Wet Bibob op een overzichtelijke manier uiteengezet.

In deze zaak had het college van burgemeester en wethouders een aanvraag omgevingsvergunning van een agrarisch bedrijf met vleesvarkens geweigerd en een bestaande vergunning ingetrokken op grond van de Wet Bibob. Naar aanleiding van de aanvraag omgevingsvergunning had het college het Landelijk Bureau Bibob gevraagd om advies uit te brengen als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob. Het college legde het advies van het Bureau aan het besluit tot weigering en intrekking van de omgevingsvergunning ten grondslag en stelde zich op het standpunt dat er ernstig gevaar bestond voor strafbare feiten, omdat was vastgesteld dat de aanvrager van de omgevingsvergunning in een zakelijk samenwerkingsverband stond of had gestaan tot natuurlijke personen en rechtspersonen die (vermoedelijk) strafbare feiten hadden gepleegd.

De Afdeling bevestigt in deze uitspraak nogmaals (zie in dit verband ook ABRvS 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5278), dat een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau mag uitgaan. Een bestuursorgaan moet echter wel controleren of het advies en het onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn.

Uit de uitspraak volgt dat voor het weigeren/intrekken van een vergunning op grond van de Wet Bibob voldoende is dat strafbare feiten hebben plaatsgevonden en dat de aanvrager/vergunninghouder in relatie staat tot de plegers van deze strafbare feiten. De strafbare feiten hoeven niet te hebben plaatsgevonden binnen de inrichting op het perceel. Ook is niet vereist dat de strafbare feiten zijn gepleegd door werknemers van de aanvrager/vergunninghouder.

Voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband moet sprake zijn van een zakelijke relatie die gericht is op samenwerking en die een zeker duurzaam en structureel karakter heeft. Daarbij is niet vereist dat de zakelijke relatie is gericht op het plegen van strafbare feiten. Ook is het niet noodzakelijk dat alle elementen van het zakelijk samenwerkingsverband afzonderlijk een relatie hebben met strafbare feiten die (vermoedelijk) binnen het zakelijk samenwerkingsverband zijn begaan. Evenmin is het hebben van onderlinge invloed op, of zeggenschap in de bestaande entiteiten een noodzakelijke voorwaarde voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband. Het feit dat de aanvrager als afzonderlijke entiteit een gescheiden bedrijfsvoering voerde ten opzichte van de overige aan het strafrechtelijke onderzoek onderworpen vennootschappen, was voor de Afdeling onvoldoende reden om aan te nemen dat er geen zakelijk samenwerkingsverband bestond.

In deze zaak was komen vast te staan dat er tussen de aanvrager en de in het Bibob-advies genoemde natuurlijke personen en rechtspersonen, die (vermoedelijk) strafbare feiten hadden begaan, zakelijke relaties, familierechtelijke relaties en financieringsrelaties bestonden. Uit het Bibob-advies bleek dat binnen de in kaart gebrachte zakelijke samenwerkingsverbanden gedurende een lange periode een groot aantal milieudelicten was gepleegd waarmee de betrokken natuurlijke personen en rechtspersonen een zeer groot financieel voordeel hadden behaald.

Om aan te kunnen nemen dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, moeten de in de beoordeling betrokken strafbare feiten gepleegd zijn bij activiteiten die overeenkomen dan wel samenhangen met de activiteiten waarvoor vergunning is gevraagd of verleend (artikel 3, derde lid, onder a, van de Wet Bibob). Er is sprake van voldoende samenhang tussen de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is gevraagd dan wel gegeven en de strafbare feiten waarmee de aanvrager/vergunninghouder in verband wordt gebracht, als de omgevingsvergunning het plegen van deze strafbare feiten kan faciliteren (zie ook ABRvS 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0168).

In deze zaak waren de (vermoedelijke) strafbare feiten met name begaan bij varkenshouderijen in verband met handelingen met betrekking tot dierlijke meststoffen en varkens. De omgevingsvergunningen hadden betrekking op de exploitatie van een varkenshouderij en activiteiten die daarmee in direct verband staan, waaronder transport, opslag, verwerking van varkens en/of mest. De Afdeling oordeelde dat het college zich op het standpunt had kunnen stellen dat de strafbare feiten waren gepleegd bij activiteiten die in het verlengde lagen van deze vergunde activiteiten.

Een laatste interessant aspect in deze uitspraak is de belangenafweging. Het college had het bedrijfseconomisch belang van aanvrager/vergunninghouder en het algemeen belang tegen elkaar afgewogen. Het college had het belang bij een ordelijke exploitatie van varkenshouderijen en daaraan verwante activiteiten en de naleving van wettelijke voorschriften alsmede het belang om oneerlijke concurrentie te voorkomen laten prevaleren boven het financiële belang van aanvrager/vergunninghouder bij voortzetting van de varkenshouderij. Gelet op de hoeveelheid strafbare feiten waarmee aanvrager/vergunninghouder in verband kon worden gebracht, alsmede op de aard en ernst daarvan, bestond geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de besluiten tot weigering van de omgevingsvergunning en tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning had kunnen nemen.

ABRvS 10 mei 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2017:1218

Door Sandra d’Hooghe

"

Actualiteiten overzicht