Nieuwsbrief voor overheden
Als een verzoek tot handhaving wordt ingediend, is het in beginsel aan het bevoegd gezag om te onderzoeken of een overtreding wordt begaan. Van de verzoeker kan echter worden verlangd dat deze in zijn verzoek concreet aangeeft welke overtreding door wie, waar en wanneer wordt begaan. Dat volgt uit een aantal recente uitspraken van de Afdeling en de Rechtbank Gelderland.
Als een verzoek tot handhaving wordt ingediend, dan moet het bevoegd gezag beoordelen of zich een overtreding voordoet ter zake waarvan hij bevoegd is handhavend op te treden. Dat is het uitgangspunt, zo heeft de Afdeling uitgemaakt in o.a. haar uitspraak van 9 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3785).
Dit jaar heeft de Afdeling dit uitgangspunt in een aantal uitspraken genuanceerd.
ABRvS 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:592)
Zo oordeelde de Afdeling in haar uitspraak van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:592) dat een verzoek om handhavend op te treden tegen activiteiten in een bos te onbepaald was. Er werden in het verzoek slechts in algemene zin activiteiten genoemd die volgens verzoekers in strijd zouden zijn met het bestemmingsplan. Niet was vermeld om welke activiteiten het concreet ging en waar en wanneer die activiteiten hadden plaatsgevonden. De Afdeling oordeelde dat het bevoegd gezag het handhavingsverzoek op die grond terecht had afgewezen.
ABRvS 2 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1461)
De Slijtersunie diende een verzoek tot handhaving van de Drank- en Horecawet in tegen de Sligro-vestiging in Den Bosch. Volgens de Slijtersunie handelde Sligro in strijd met de Drank- en Horecawet door drank aan particulieren te verkopen. Ter onderbouwing verwees de Slijtersunie naar incidentele overtredingen die bij andere Sligro-vestigingen waren geconstateerd.
De Afdeling oordeelde dat het enkele feit dat bij andere vestigingen van Sligro incidenteel overtredingen van de Drank- en Horecawet waren geconstateerd nog niet betekende dat ervan uitgegaan kon worden dat bij de vestiging in Den Bosch dezelfde overtredingen werden begaan. Ook voor het overige had de Slijtersunie naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten gegeven op grond waarvan aannemelijk was dat bij de Sligro-vestiging in Den Bosch drank aan particulieren werd verkocht. Daarmee overweegt de Afdeling impliciet dat het aan de Slijtersunie was om het bevoegd gezag aanknopingspunten te geven dat in de Sligro-vestiging Den Bosch drank aan particulieren wordt verkocht. Nu dat niet vastgesteld kon worden, stond ook niet vast dat deze vestiging in hetzelfde marktsegment opereerde als de leden van de Slijtersunie en kon de Slijtersunie daardoor niet als belanghebbende worden aangemerkt.
ABRvS 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3292)
In haar uitspraak van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3292) moest de Afdeling oordelen over de vraag of tijdig beslist was op een aanvraag tot handhaving.
Een campinghouder had verzocht om handhavend op te treden tegen het in strijd met het bestemmingsplan buiten het bouwvlak plaatsen van bouwwerken op minicampings in de gemeente. Het college stelde zich op het standpunt dat de verzoeker geen belanghebbende was, zodat zijn verzoek niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 Awb kon worden aangemerkt en er dus geen sprake was van niet tijdig beslissen.
De Afdeling oordeelde dat de verzoeker in eerste instantie niet concreet had gemaakt om welke minicampings het ging en van welke overtredingen sprake was. In tweede instantie had de verzoeker wel een lijst met minicampings overgelegd die overtredingen zouden begaan, maar had hij nog steeds niet concreet gemaakt van welke overtredingen sprake zou zijn. Dat bracht de Afdeling tot het oordeel dat niet aannemelijk was dat verzoeker rechtstreeks werd geraakt in zijn concurrentiebelang, zodat de verzoeker niet als belanghebbende kon worden aangemerkt en het verzoek niet als een aanvraag.
ABRvS 6 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3602)
In de laatste uitspraak in deze reeks uitspraken van de Afdeling formuleert de Afdeling een regel over wie wat moet bewijzen als een verzoek tot handhaving wordt ingediend. De Afdeling overweegt:
“Hoewel het in beginsel aan het bevoegd gezag is om naar aanleiding van een verzoek om handhaving onderzoek te doen naar de gestelde overtreding, kan in bijzondere situaties van de verzoeker om handhaving een begin van bewijs van de gestelde overtreding worden gevergd alvorens een verplichting tot (nader) onderzoek voor het bevoegd gezag ontstaat.”
In het concrete geval deed zo’n bijzondere situatie zich voor, zo oordeelde de Afdeling. Het verzoek hield in om handhavend op te treden tegen het zonder vergunning aanbrengen van beton en/of poeren onder de woning van de buren. Verzoeker en zijn buren woonden in een twee-onder-een-kapwoning.
Verzoeker had eerder een verzoek tot handhaving ingediend. In dat verzoek had hij gesteld dat tussen de onderkelderde garage en de woning zonder vergunning een betonblok aangebracht. Het college had, na daartoe opdracht te hebben gekregen door de Afdeling, onderzoek gedaan en uit dat onderzoek was gebleken dat op die plek geen betonblok aanwezig was. De Afdeling overweegt dat het gelet op de uitkomst van het vorige handhavingsverzoek aan de verzoeker is om een begin van bewijs te leveren.
De verzoeker had een aantal verklaringen van buren overgelegd, maar volgens de Afdeling volgt uit die verklaringen niet dat er beton is gestort of poeren zijn aangebracht op de plek die verzoeker noemt. De Afdeling concludeert dat de bewering van verzoeker uitsluitend is gestoeld op de redenering dat het niet anders kan zijn dat het zo is. Dat is, zo oordeelt de Afdeling, onvoldoende begin van bewijs.
Rechtbank Gelderland 1 oktober 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:4164)
In het kader van dit onderwerp is de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 1 oktober 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:4164) ook de moeite van het bespreken waard.
Er was een verzoek tot handhaving ingediend tegen een warmtevoorziening. De verzoeker voerde aan dat de warmtevoorziening niet goed werkte, waardoor de emissies van de stookinstallaties hoger zouden zijn dan vooraf voorzien. Verzoeker voerde aan dat hierdoor in strijd gehandeld zou worden met de zorgplicht van het Activiteitenbesluit.
De rechtbank oordeelde dat het Activiteitenbesluit hier inderdaad van toepassing was en dat de zorgplicht ook aan de orde was, maar dat deze zorgplicht pas gehandhaafd kon worden als onmiskenbaar in strijd met de zorgplicht werd gehandeld. De rechtbank oordeelde dat het in dat geval op de weg van verzoeker ligt om een begin te leveren van het bewijs dat de zorgplicht wordt geschonden. Anders zou een verzoek tot handhaving van de zorgplicht een te grote onderzoekslast op het bestuursorgaan leggen, aldus de rechtbank.
Conclusie:
De bovenstaande uitspraken lenen zich voor een diepgaandere analyse. Er kan ook niet één duidelijke lijn uit gedestilleerd worden. Wat echter wel duidelijk wordt is dat het bevoegd gezag niet altijd bij een verzoek tot handhaving op onderzoek hoeft uit te gaan en in ieder geval van de verzoeker mag verlangen dat deze zijn verzoek concretiseert.
Door Jaap IJdema
"