Nieuwsbrief voor overheden

Sinds jaar en dag houden de tolgelden voor de Westerscheldetunnel de gemoederen bezig. Voor gebruikers van de Westerscheldetunnel leveren deze tolgelden extra kosten op om van Zeeuws-Vlaanderen naar een andere plaats in Nederland te reizen en omgekeerd. Dit geldt niet alleen voor particulier gebruik, maar ook voor woon-werkverkeer. In werkgever/werknemer-relaties is dan de vraag aan de orde voor wiens rekening deze kosten komen. Een recente uitspraak van de Centrale Raad zet deze discussie op scherp.

De uitspraak gaat over een militair bij de Koninklijke Marechaussee die in Zeeuws-Vlaanderen woont, maar geplaatst is bij een onderdeel van die organisatie elders in het land. De Westerscheldetunnel is geopend op 15 maart 2003. In de periode daarna heeft een mandaatbeschikking gegolden op basis waarvan medewerkers van de Koninklijke Marechaussee die voor hun woon-werkverkeer gebruik maakten van de Westerscheldetunnel, de tolgelden daarvan werden vergoed. Deze mandaatbeschikking is ingetrokken per 1 augustus 2008, waarna de voorheen reeds bestaande praktijk bij in elk geval een aantal onderdelen van de Koninklijke Marechaussee zonder wettelijke basis is voortgezet. Medio december 2014 is aan medewerkers van ook die onderdelen meegedeeld dat zij de hun ter beschikking gestelde t-tag, dat is de pas waarmee het Ministerie van Defensie de tolgelden voor de Westerscheldetunnel betaalde, per 1 januari 2015 moesten inleveren. Betrokkenen konden een nieuwe tegemoetkoming woon-werkverkeer aanvragen, waarbij de tegemoetkoming werd aangepast naar de kortste route via de openbare weg. De Westerscheldetunnel wordt daarbij niet als openbare weg aangemerkt.

In een uitspraak van 20 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1538) heeft de Centrale Raad reeds geoordeeld dat de beëindiging van het gebruik om de tolgelden van de in Zeeuws-Vlaanderen woonachtige medewerkers te vergoeden niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat aan die vergoeding geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van het bevoegde gezag ten grondslag lag. Wel moest een afbouwregeling worden getroffen die door het bevoegd gezag ook is uitgevoerd.

De meeste betrokken medewerkers bleken met de nieuwe tegemoetkoming het gemis van de t-tag te kunnen opvangen. Voor de berekening van die tegemoetkoming mag immers worden uitgegaan van de route over België (waarbij niet helemaal duidelijk is of de tolgelden voor de Liefkenshoektunnel daarin zijn verdisconteerd). Voor enkele betrokkenen is de nieuwe aanpak echter wel nadelig. Het aantal te vergoeden kilometers is namelijk gemaximeerd op 90 kilometer. Deze medewerkers zitten al op of over dat maximum en hebben dus geen baat bij de mogelijkheid om ook omrijd-kilometers vergoed te krijgen.

Eén van deze benadeelden heeft daarom een beroep gedaan op de hardheidsclausule in de regeling. Die houdt in dat de minister van Defensie kan afwijken van de uitgangspunten van de tegemoetkomingsregeling voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze regelgeving beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank Den Haag stelde deze benadeelde in het gelijk, maar de Centrale Raad draait dit terug. De minister van Defensie wilde het beroep op de hardheidsclausule niet honoreren, omdat het mislopen van de extra tegemoetkoming in de vorm van het beschikbaar hebben van een t-tag, dan wel een vergoeding van omrijd-kilometers, het gevolg is van de keuze van woonplaats. Betrokkene kan doordeweeks ook gebruik maken van de legeringsfaciliteiten in de kazerne. Bovendien wordt betrokkene niet gedwongen om de route te rijden die volgens de routeplanner wordt vergoed. Betrokkene is nog steeds vrij om de kortere route door de Westerscheldetunnel te nemen (wat hij in de praktijk ook doet), zij het dat de tolkosten dan voor zijn eigen rekening zijn. Dat die extra kosten voor rekening van betrokkene komen is geen onbillijkheid van overwegende aard, aldus de minister. De Centrale Raad is dat met de minister eens en doet daar in de uitspraak nog een schepje bovenop.

Ter zitting heeft betrokkene nog aangevoerd dat zijn wens om in zijn woonplaats te blijven wonen en om dagelijks heen en weer te rijden tussen zijn woonplaats en zijn werkplek mede is ingegeven door de extra zorg die zijn autistische dochter nodig heeft. De Centrale Raad overweegt dat betrokkene zich niet eerder op deze bijzondere omstandigheid heeft beroepen en dat de minister dus ook niet de kans heeft gekregen om zich te verweren, zodat deze omstandigheid om procesrechtelijke redenen buiten beschouwing moet blijven. Op zich kan de Centrale Raad in deze redenering gevolgd worden, ware het niet dat een mogelijk veel belangrijker discussie in de uitspraak achterwege blijft. Want gaat het hier eigenlijk wel om de vrije keuze van woonplaats?

Dit is wrang, omdat het natuurlijk de vraag is hoe ‘vrij’ de keuze van betrokkene –aangenomen dat juist is wat hij over zijn privésituatie heeft gezegd- dan nog is. Een einde aan de discussie over de tolgelden zal deze uitspraak dus vast niet brengen.

CRvB 5 oktober 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2017:3396

Door Bas de Moor

"

Actualiteiten overzicht