Nieuwsbrief voor overheden
In het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een rechtshandeling die tot stand is gekomen onder invloed van een wilsgebrek, zoals bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling, vernietigbaar is. Hierdoor is de ruimte voor iemand om terug te komen op hetgeen hij is overeengekomen in een vaststellingsovereenkomst met een andere partij beperkt. Ook in het ambtenarenrecht is dat zo.
De Centrale Raad merkt een vaststellingsovereenkomst tussen een ambtenaar en zijn ambtelijke werkgever aan als een nadere regeling van de uitoefening van de ontslagbevoegdheid van de ambtelijk werkgever. Aan zo’n regeling zijn partijen volgens de Centrale Raad gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor het bestuursorgaan geldt, maar ook voor de ambtenaar. Dit kan onder meer anders zijn als er sprake is van wilsgebreken of als zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat de volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangt.
De Centrale Raad houdt vast aan deze lijn. In een kwestie die recent heeft geleid tot een uitspraak van de Centrale Raad had de ambtenaar aangevoerd dat zij geen andere keuze had gehad dan om de vaststellingsovereenkomst te tekenen. Zij stelde tevens dat zij door het bevoegd gezag onder druk was gezet. Dit betoog slaagt volgens de Centrale Raad niet. De vaststellingsovereenkomst was gesloten tegen de achtergrond van een reorganisatie. Het stond vast dat de functie van betrokkene in verband met deze reorganisatie zou komen te vervallen. Naar aanleiding hiervan hebben meerdere gesprekken met betrokkene plaats gevonden over haar toekomst. In die gesprekken zijn verschillende opties besproken. Betrokkene heeft met toestemming van de werkgever informatie ingewonnen bij een deskundige. Bovendien heeft zij vooraf een conceptovereenkomst toegestuurd gekregen en werd ze bijgestaan door een adviseur. Tijdens de bespreking, waarin de overeenkomst aan de orde was, hebben de vertegenwoordigers van de werkgever zich eerst nog teruggetrokken zodat betrokkene de overeenkomst (nogmaals) kon bespreken met haar adviseur voordat zij tot ondertekening zou overgaan. Betrokkene heeft gesteld dat deze adviseur heeft geadviseerd om het tekenen van de overeenkomst over het weekend heen te tillen. De werkgever heeft erop gewezen dat betrokkene kennelijk niettemin heeft besloten om meteen te tekenen. Onder verwijzing naar deze omstandigheden is de Centrale Raad van oordeel dat het bevoegd gezag op betrokkene geen ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend om te kiezen voor ontslag.
CRvB 5 januari 2017, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2017:9
Door Bas de Moor
"