Nieuwsbrief voor overheden
Een raadslid van de gemeente Terschelling verzoekt het college van burgemeester en wethouders begin 2015 om inzage in de navolgende stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob):
- De schriftelijke opdracht die door de gemeente aan een advocatenkantoor is gegeven;
- Alle declaraties die door ingeschakelde advocaten bij de gemeente ter betaling zijn ingediend in het kader van deze opdracht;
- Een totaalstaat aan kosten wat de zogenaamde ‘klokkenluidersaffaire’de gemeente Terschelling heeft gekost en
- De vaststellingsovereenkomst zoals die is gesloten tussen de gemeente Terschelling en de zogenaamde klokkenluider.
De rechtbank stelt naar aanleiding van voormeld verzoek op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling (o.a. ECLI:NL:RVS:2005:AU0395) vast dat raadsleden, naast het recht op inlichtingen als bedoeld in artikel 169 van de Gemeentewet, gebruik kunnen maken van de Wob om informatie openbaar te krijgen.
Het raadslid heeft zich op het standpunt gesteld dat het amateuristisch en ongeloofwaardig zou zijn dat het college telefonisch opdracht zou hebben gegeven aan advocatenkantoor Stibbe. Onder verwijzing naar onder andere een uitspraak van de Afdeling van 23 maart van dit jaar (ECLI:NL:RVS:2016:788) komt de rechtbank echter tot de conclusies dat het raadslid deze stelling niet met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd, zodat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat een schriftelijke opdracht zou bestaan.
Naar aanleiding van de verzochte declaraties heeft het college alle declaraties verstrekt, maar daarop het zaaknummer weggelakt en uitsluitend de eindbedragen zichtbaar gelaten. Het raadslid is van mening dat daardoor de openbaar gemaakte stukken niet tot enige zaak te herleiden zijn en dat de goedkeuringsparafen voor betaling ontbreken. De rechtbank passeert deze stellingen van het raadslid met de opmerking dat er geen aanleiding bestaat om te concluderen dat de openbaar gemaakte declaraties niet aan de bepalingen van de Wob voldoen.
De door het college verstrekte versie van de vaststellingsovereenkomst is door het college deels onleesbaar gemaakt. Dit betreffen de naam en adresgegevens van de ambtenaar, het bedrag van de ontslagvergoeding en kosten van rechtsbijstand alsmede de inhoud van artikel 15. Hierbij heeft het college zich gebaseerd op artikel 10 lid 2 aanhef en onder e van de Wob. Het raadslid betwist deze weigeringsgrond en stelt dat hem als raadslid geen informatie mag worden achtergehouden. De rechtbank volgt het raadslid hierin niet en stelt dat ook in dit geval de weigeringsgronden in de Wob van toepassing zijn.
Rb Noord-Nederland 26 mei 2016, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBNNE:2016:2513
Door mw. mr. A.A. Broekman–de Feijter
"