Nieuwsbrief voor overheden
De Centrale Raad oordeelt dat de uitbater van het zorgcentrum een eigen zelfstandig belang heeft bij het besluit gericht aan een van haar cliënten, omdat aannemelijk is dat de uitbater in haar vermogenspositie wordt geraakt. De uitbater heeft bovendien voldoende belang bij een oordeel omdat aannemelijk is dat zij als gevolg van het besluit schade lijdt.
De gemeente Zederik besloot in september 2015 dat een cliënte, die woonachtig was en zorg inkocht bij de uitbater van een zorgcentrum, dat zij met haar toegekende pgb geen zorg meer mag inkopen bij het zorgcentrum. De aldaar verleende zorg zou van onvoldoende kwaliteit zijn. In het besluit aan de cliënte werd verder meegedeeld dat de indicatie aan de cliënte niet wordt ingetrokken, maar dat de betaalbaarstelling van het pgb aan die cliënte tijdelijk zal worden stopgezet.
Het Drechtstedenbestuur verklaart het bezwaar van de uitbater van het zorgcentrum tegen het besluit niet-ontvankelijk, omdat zij niet als belanghebbende bij het primaire besluit kan worden aangemerkt. De belangen van de uitbater zouden voortvloeien uit de contractuele relatie van de cliënte met de uitbater, aldus het Drechtstedenbestuur. De uitbater van een zorgcentrum stelt dat zij zorg verleend aan 5 tot 10 cliënten en dat ook die cliënten, al dan niet gedeeltelijk, deze zorg bekostigen uit pgb’s.
Onder verwijzing naar de uitgebreide conclusie van de raadsheer advocaat-generaal (ECLI:NL:CRVB:2018:3474) overweegt de grote kamer van de Centrale Raad als volgt over de ontvankelijkheid van de uitbater van het zorgcentrum:
“Zoals de Raad eerder heeft overwogen ((…) ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Anders dan het bestuur in reactie op de conclusie naar voren heeft gebracht, heeft appellante wel procesbelang. Appellante heeft gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld (…) ECLI:CRVB:2012:BW6811) kan aan een verzoek om schadevergoeding procesbelang worden ontleend als de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. In de situatie van appellante is aan dit criterium voldaan, omdat aannemelijk is dat appellante verlies van inkomsten heeft als gevolg van het primair besluit.
(…). Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient sprake te zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang dat de betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen. Dat belang moet rechtstreeks bij het desbetreffende besluit zijn betrokken. Bij een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang is niet aan deze eis voldaan.
Het enkele feit dat sprake is van een contractuele relatie tussen degene tot wie een besluit is gericht en een derde, betekent niet dat het belang van die derde bij dat besluit reeds daarom als een afgeleid belang moet worden aangemerkt. Onderzocht moet worden of die derde los van die contractuele relatie ook een zelfstandig eigen belang heeft bij dat besluit.
In het primair besluit is het pgb voor de cliënte van appellante in stand gelaten, maar is daaraan de voorwaarde verbonden dat het niet mag worden besteed bij appellante. Door deze voorwaarde heeft dit besluit voor appellante directe financiële gevolgen, die niet uitsluitend voortvloeien uit de contractuele relatie die zij met deze cliënte heeft. Aannemelijk is dat zij door dat besluit wordt geraakt in haar vermogenspositie. Zij is reeds daarom bij dat besluit belanghebbende.
Uit wat is overwogen onder 5.3 volgt dat het betoog van het bestuur over de juistheid van de uitleg van artikel 8 van het EVRM door de raadsheer advocaat-generaal geen bespreking behoeft, omdat appellante los van de contractuele relatie een zelfstandig eigen belang heeft bij het besluit, ook zonder daarvoor een beroep te hoeven doen op artikel 8 van het EVRM. In de aard van het besluit en de aard van de rechtsverhouding van appellante en haar cliënte(n) is geen aanleiding te zien voor een ander oordeel.”
CRvB 5 maart 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:CRVB:2019:669
Door Anouk Broekman-de Feijter
"