Nieuwsbrief voor overheden
Uit de bewoordingen van een aanmaning zal moeten blijken dat bij niet tijdige betaling van het verschuldigde bedrag, betaling daarvan kan worden afgedwongen door op kosten van de belanghebbende uit te voeren invorderingsmaatregelen.
In de zaak die leidde tot het arrest van het hof Den Haag van 13 mei 2020 werd door een belastingplichtige een dwangbevel ontvangen met het bevel tot betaling van leges voor een aanvraag omgevingsvergunning. In hoger beroep heeft de belastingplichtige gesteld dat het dwangbevel ten onrechte werd uitgevaardigd en dat de betekeningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht.
Het hof heeft in het arrest van 13 mei 2020 de vraag beantwoord of de betekeningskosten terecht in rekening zijn gebracht. Daarbij is bepalend of de belastingplichtige werd aangemaand. Op grond van artikel 12 lid 1 Invorderingswet 1990 (IW 1990) jo. artikel 231 lid 1 Gemeentewet (Gemw) en artikel 1 lid 2 IW 1990 jo. artikel 4:117 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een dwangbevel immers slechts worden uitgevaardigd als de belastingschuldige is aangemaand en daarna in gebreke blijft.
In dit geval werd uitstel van betaling verleend ten aanzien van de legesaanslag. Het zorgvuldigheidsbeginsel vraagt van de invorderingsambtenaar dat hij, voordat hij na beëindiging van het uitstel van betaling de dwanginvordering voortzet met een dwangbevel, de belastingschuldige die voor dat uitstel al werd aangemaand, een redelijke termijn stelt om alsnog te betalen. Daarbij moet de eerdere kennisgeving over de gevolgen van niet-betaling als bedoeld in artikel 4:112 lid 3 van de Awb in herinnering worden gebracht (HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2290).
De invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag heeft de belastingplichtige met acceptgiro’s een redelijke termijn van 14 dagen gegeven. Het hof oordeelt dat daarmee niet voldaan is aan de voorwaarde dat de bij de eerdere aanmaning opgenomen kennisgeving in herinnering is gebracht. Het is onvoldoende dat op de acceptgiro’s is opgenomen “omdat anders extra kosten worden berekend”. Uit de bewoordingen van de aanmaning zal moeten blijken dat, bij niet tijdige betaling van het verschuldigde bedrag aan leges, betaling daarvan kan worden afgedwongen door op kosten van de belanghebbende uit te voeren invorderingsmatregelen. De beschikking met betrekking tot de betekeningskosten van het dwangbevel wordt om deze reden door het hof vernietigd.
Hoewel deze casus vrij specifiek te noemen is, geldt in zijn algemeenheid dat een aanmaning aan de in artikel 4:112 van de Awb genoemde eisen moet voldoen en dat net als de belastingrechter ook andere bestuursrechters op dit punt een strenge toets aanhouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit een uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:327) dat een aanmaning waarbij geen betalingstermijn wordt genoemd, niet kan worden aangemerkt als een aanmaning in de zin van artikel 4:112 Awb.
Hof Den Haag 13 mei 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHDHA:2020:908
Door Ad Schreijenberg
"