Blog

Niet voor het eerst ontstaat discussie over de vraag of partijen een compromis hebben gesloten over de WOZ-waarde. Zo schreef ik in februari 2015 al over een zaak van het hof Amsterdam waarin discussie ontstond over de vraag of partijen een compromis sloten over de WOZ-waarde (ECLI:NL:GHAMS:2015:494). In een recente uitspraak van het hof ’s-Gravenhage komt de vraag aan de orde of tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Wat was er aan de hand?

Belanghebbende kwam in hoger beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde voor belastingjaar 2013 en waardepeildatum 1 januari 2012. Belanghebbende had over belastingjaar 2012 eveneens een procedure gevoerd bij het hof. Deze zaak werd op zitting behandeld op 29 april 2014. Ter zitting kwamen partijen overeen dat indien het hof het beroep gegrond zou verklaren en de waarde van de woning zou worden vastgesteld op een lager bedrag dan € 600.000, de heffingsambtenaar de waarde van de woning naar rato zou aanpassen voor de belastingjaren 2013 en 2014.

Na de zitting stuurde belanghebbende op 30 april 2014 een bericht aan het hof met de vraag of het door het hof toe te passen aftrekbedrag (over belastingjaar 2012) eveneens zou worden toegepast over de jaren 2013 en 2014. Want slechts in dat geval is, volgens belanghebbende, sprake van een aflopende reeks waardeverminderingen. Het hof deed op 10 juni 2014 uitspraak over belastingjaar 2012. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Partijen waren voor belastingjaar 2013 verdeeld over de vraag of tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Volgens belanghebbende is dat niet het geval. De afspraak houdt volgens belanghebbende in dat, indien het hof de waarde (over 2012) niet zou verminderen, het belanghebbende vrij zou staan om te procederen over de jaren 2013 en 2014. De heffingsambtenaar heeft een andere gedachte over de afspraak. Als het hof de waarde over 2012 niet zou verlagen (hetgeen dus het geval was) dan zou belanghebbende zich neerleggen bij de waarden over de belastingjaren 2013 en 2014, aldus de heffingsambtenaar.

Het hof geeft aan dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het besprokene ter zitting, de tekst van het proces-verbaal en het nadere stuk van belanghebbende mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof voegt daaraan toe dat het daarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren. Eveneens is volgens het hof van belang welke rechtskennis van zodanige partijen verwacht kan worden.

Dat laatste is toch wel opvallend. Dat belanghebbende voormalig raadsheer is doet niet echt ter zake, maar wel dat hij (zoals het hof stelt) door een professionele rechtsbijstandverlener werd bijgestaan. Het hof is van mening dat belanghebbende en diens rechtsbijstandverlener moesten begrijpen wat ter zitting overeengekomen was.

Dat wil zeggen dat voor de belastingjaren 2013 en 2014 niet langer doorgeprocedeerd zou worden, ook niet als het hof de waarde over belastingjaar 2012 in stand zou laten. Het hof verwijst naar het nadere stuk van belanghebbende dat hij stuurde na de bewuste zitting op 29 april 2014 waar de afspraken werden gemaakt. Uit dit stuk valt op te maken dat belanghebbende op de hoogte was van de gemaakte afspraken.

Het hof sluit af door op te merken dat indien sprake is van een vaststellingsovereenkomst als genoemd in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek, dit meebrengt dat belanghebbende gehouden is aan de gemaakte afspraken tenzij sprake zou zijn van een wilsgebrek bij het sluiten van de overeenkomst.

Anders dan de in de eerste alinea genoemde uitspraak van het hof Amsterdam, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde, komt het hof ’s-Gravenhage in deze zaak tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

Hof ’s-Gravenhage 2 juni 2015, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHDHA:2015:1719

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team