Nieuwsbrief voor overheden

De burgemeester had in 2021 een aanlijn- en muilkorfgebod opgelegd voor een Kaukasische herder die een persoon had aangevallen en gebeten. Nadat een boa had geconstateerd dat de hond zonder muilkorf in de openbare ruimte liep, volgde in februari 2022 een last onder dwangsom: de eigenaar moest zijn hond met onmiddellijke ingang ‘(laten) muilkorven’ als die zich op of aan de weg of op het terrein van een ander bevond, op straffe van € 500,- per overtreding. Op basis van camerabeelden van een omwonende en een proces-verbaal van de politie vorderde de burgemeester vervolgens drie dwangsommen in.

De eigenaar voerde aan dat de hond wel degelijk een zwarte muilkorf droeg, die op de van grote afstand gemaakte beelden niet opviel tegen de zwarte snuit. Daarnaast stelde hij dat de buurman hem zonder toestemming op de openbare weg had gefilmd. De rechtbank Oost-Brabant ging mee in dat laatste argument: de beelden waren in strijd met de AVG verkregen en verwerkt, zodat de burgemeester ze niet aan het invorderingsbesluit ten grondslag had mogen leggen.

In hoger beroep richtte de burgemeester zijn pijlen op dat oordeel, onder meer met een beroep op het bekende ‘zozeer indruist’-criterium voor het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in het bestuursrecht. De Afdeling kiest echter een andere volgorde. Zij beoordeelt eerst of de beelden überhaupt aantonen dat de last is overtreden. Is dat niet zo, dan doet de rechtmatigheid van de verkrijging er niet meer toe.

Dat blijkt beslissend. Ter zitting liet de burgemeester het standpunt varen dat de hond geen muilkorf droeg; hij stelde zich nu op het standpunt dat de muilkorf ondeugdelijk was, dan wel ondeugdelijk was bevestigd, omdat de bek van de hond te ver openstond. De Afdeling volgt dat niet. Uit de algemene formulering van de last volgt dat daaraan wordt voldaan als de hond een muilkorf draagt, ongeacht het type. De last bepaalt niet aan welke eisen de muilkorf moet voldoen, noch hoe ver de bek nog geopend mag zijn. Het hoger beroep is ongegrond.

De uitspraak sluit aan bij het uitgangspunt dat een last onder dwangsom zo duidelijk moet zijn dat de overtreder weet wat van hem wordt verlangd (vgl. artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb). Die eis werkt twee kanten op: wat de last niet vraagt, kan de overtreder ook niet worden tegengeworpen. De burgemeester kon achteraf geen kwaliteitseisen aan de muilkorf verbinden die hij vooraf niet had gesteld. Dat de last in rechte vaststond, maakt dat niet anders; juist de vaststaande tekst van de last bepaalt de omvang van de verplichting.

Opvallend is dat de Afdeling de principiële vraag naar het gebruik van camerabeelden van particulieren onbeantwoord laat. Nu steeds meer burgers deurbelcamera’s en beveiligingscamera’s gebruiken die ook de openbare weg vastleggen, zullen bestuursorganen vaker met dergelijk materiaal worden geconfronteerd. Het oordeel van de rechtbank dat zulke beelden als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moeten blijven, staat daarmee nog overeind zonder dat de Afdeling zich erover heeft uitgelaten.

ABRvS 9 september 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:5353.

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team