Nieuwsbrief voor overheden
Aanleiding voor de zaak was het aantreffen van een hennepkwekerij door de politie in een bedrijfspand in Deventer. De burgemeester kondigde eerst aan voornemens te zijn een last onder bestuursdwang op te leggen die strekte tot tijdelijke sluiting van het pand. Toen bleek dat de eigenaar van het pand inmiddels de sloten had vervangen, waardoor appellant er geen toegang meer toe had, koos de burgemeester een andere weg. In plaats van een op het pand gerichte last legde hij appellant twee lasten onder dwangsom op die golden voor het gehele grondgebied van de gemeente Deventer: een verbod om ergens in de gemeente drugs als bedoeld in de Opiumwet te verkopen, telen, bewerken of aanwezig te hebben, en een verbod om bepaalde voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Doel van deze ruime formulering was uitdrukkelijk om herhaling van het handelen op een andere locatie binnen de gemeente te voorkomen.
De rechtbank had deze lasten in stand gelaten, maar de Afdeling gaat daar niet in mee. Zij herhaalt dat de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is gekoppeld aan wat in een specifieke woning, lokaal of erf wordt aangetroffen, en daarmee pandgericht is (vergelijk ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523, en ABRvS 24 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1145). Omdat de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom op grond van artikel 5:32 van de Awb een afgeleide is van de bevoegdheid tot bestuursdwang, deelt zij naar het oordeel van de Afdeling in datzelfde pandgerichte karakter. Dat de burgemeester de bestrijding van drugsoverlast in de gemeente van groot belang acht en om die reden een ruimere uitleg van artikel 13b voorstaat, doet daaraan niet af: een bestuursrechtelijke bevoegdheid strekt niet verder dan de wet haar toekent, hoe begrijpelijk het onderliggende beleidsdoel ook is. De Afdeling merkt bovendien op dat artikel 13b geen grondslag biedt voor handhaving van het algemene verbod van artikel 3 van de Opiumwet als zodanig.
Het gevolg is dat de Afdeling zelf in de zaak voorziet: het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2023 wordt alsnog gegrond verklaard en dat besluit wordt herroepen, zonder dat de burgemeester een nieuw besluit hoeft te nemen. Voor de praktijk betekent dit dat een gemeente die verdergaande, gebiedsdekkende maatregelen tegen drugsgerelateerde overlast wil treffen, daarvoor niet bij artikel 13b van de Opiumwet terecht kan, maar zal moeten uitwijken naar andere handhavingsinstrumenten of naar de burgemeester toekomende bevoegdheden die niet aan een specifiek pand zijn gebonden. Deze uitspraak illustreert eens te meer dat de Afdeling weinig ruimte laat voor een extensieve, doelgerichte uitleg van een naar haar aard beperkte bevoegdheid, ook wanneer het achterliggende belang – het tegengaan van drugscriminaliteit – evident zwaarwegend is.
ABRvS 5 augustus 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:4578.