Nieuwsbrief voor overheden
Op 7 en 23 juli 2022 werden opeenvolgend de auto van appellante en de auto van haar partner in brand gestoken nabij de woning in Valkenswaard. Uit een bestuurlijke rapportage van de politie bleek dat de partner al enige tijd werd afgeperst door criminelen. De partner werd op 29 juli 2022 gedetineerd en ook appellante en haar zoon verlieten uit eigen beweging de woning. Toen appellante de burgemeester liet weten dat zij met haar zoon wilde terugkeren naar de woning, vaardigde de burgemeester op 11 augustus 2022 – negentien dagen na de tweede brandstichting – een noodbevel uit op grond van artikel 175 Gemeentewet. Het bevel hield in dat de woning onmiddellijk fysiek en zichtbaar moest worden gesloten en gesloten gehouden.
Artikel 175, eerste lid, Gemeentewet biedt de burgemeester de bevoegdheid tot het geven van bevelen bij oproerige beweging, ernstige wanordelijkheden of rampen, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ABRvS 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2838), impliceert dit criterium beoordelingsruimte voor de burgemeester. De rechter toetst of de burgemeester op het moment van het bevel redelijkerwijs tot het oordeel heeft kunnen komen dat die ernstige vrees bestond en gaat daarbij uit van de informatie die de burgemeester op dat moment ter beschikking stond. Hoewel aan een advies van de officier van justitie en de politie zwaarwegende betekenis mag worden toegekend, moet de burgemeester wel een eigen, zorgvuldig voorbereide en draagkrachtig gemotiveerde afweging maken.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester deze zorgvuldigheidseis in dit geval niet heeft nageleefd. Weliswaar stonden de brandstichtingen als ernstige wanordelijkheden vast, maar het noodbevel werd pas uitgevaardigd nadat de partner al bijna twee weken in detentie zat en er in de tussenliggende periode geen nieuwe incidenten rondom de woning hadden plaatsgevonden. Dat de terugkeer van appellante de directe aanleiding voor het bevel was, maakt dit niet anders. Juist omdat de situatie kennelijk was veranderd, had de burgemeester nader moeten onderzoeken of er nog een concrete, actuele dreiging bestond die het ingrijpende middel van een noodbevel rechtvaardigde. Nu dat niet was gebeurd, ontbrak een deugdelijke motivering voor de noodzaak van het bevel. De rechtbank had dit miskend.
Omdat de burgemeester ter zitting had verklaard dat er ook nadien, mede omdat het politieonderzoek naar de brandstichtingen niets aanvullends had opgeleverd, geen nieuwe informatie beschikbaar was gekomen, zag de Afdeling aanleiding het noodbevel zelf te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De burgemeester hoeft dus geen nieuw besluit te nemen.
Deze uitspraak onderstreept dat een noodbevel, hoe urgent de aanleiding ook lijkt, een zelfstandige en actuele beoordeling van de dreiging vereist op het moment van het uitvaardigen. Tijdsverloop, gewijzigde omstandigheden en het uitblijven van nieuwe incidenten zijn factoren die de burgemeester uitdrukkelijk in de motivering moet betrekken.
ABRvS 22 april 2026, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2026:2268.