Nieuwsbrief voor overheden
De zaak gaat over een tussen de gemeente en een projectontwikkelaar gesloten samenwerkingsovereenkomst voor de ontwikkeling van nieuwbouwwoningen op gronden van de gemeente.
Na een private aanbesteding heeft de gemeente de gronden gegund aan de projectontwikkelaar.
In de samenwerkingsovereenkomst hebben partijen afspraken vastgelegd over het proces dat zou moeten leiden tot een koopovereenkomst.
Partijen rekenden erop de koopovereenkomst vóór 31 oktober 2023 te kunnen ondertekenen. Als dat niet zou lukken, zouden partijen overleggen om te bezien of de overeenkomst alsnog vóór 31 januari 2024 gesloten zou kunnen worden. Als ook dat niet lukt, zou ieder van de partijen de samenwerkingsovereenkomst eenzijdig kunnen opzeggen, tenzij in een addendum verlenging van de termijn zou worden overeengekomen.
In het najaar van 2023 hadden partijen door diverse onvoorziene omstandigheden (een politieke motie en een dassenburcht) nog geen koopovereenkomst kunnen sluiten. De projectontwikkelaar wilde daarom toewerken naar een addendum waarin de termijn van 31 januari 2024 werd verlengd. De gemeente was alleen bereid een addendum te sluiten onder de voorwaarde dat de projectonwikkelaar uiterlijk op 31 december 2025 alle gronden van de gemeente zou afnemen. Hiermee ging de projectontwikkelaar echter niet akkoord.
De rechtbank overweegt dat overleg tussen partijen noodzakelijk was nadat gebleken was dat het bouwplan in verband met de dassenburcht moest worden aangepast. Dat overleg heeft niet plaatsgevonden, omdat de gemeente bij de daaropvolgende bespreking op 14 december 2023 de eis stelde dat de projectontwikkelaar uiterlijk op 31 december 2025 alle gronden moest afnemen.
De rechtbank is van oordeel dat de gemeente met deze eis de samenwerking onredelijk heeft belemmerd, omdat i) de afnamedatum van 31 december 2025 niet eerder was overeengekomen, ii) door onvoorziene omstandigheden het risico van de projectontwikkelaar dat hij de opbrengsten uit de voorverkoop nog niet had ontvangen terwijl hij de gronden moest afnemen groter was geworden, en iii) verder bestond er voor de gemeente geen noodzaak dat alle gronden uiterlijk op 31 december 2025 moesten worden afgenomen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Gemeente is tekortgeschoten in haar inspanningsverplichting.
De vordering tot vergoeding van de gederfde winst door de projectontwikkelaar is echter afgewezen, omdat het niet zonder meer aannemelijk is dat partijen samen een, voor de projectontwikkelaar winstgevend, bouwplan zouden hebben gerealiseerd. Partijen moesten namelijk nog overeenstemming bereiken over het aangepaste bouwplan en de koopovereenkomst, en stonden dus nog aan het begin van hun samenwerking.
Rechtbank Midden- Nederland 16 juli 2025, www. rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2025:4133