Nieuwsbrief voor overheden
Sinds 2021 huurt een ondernemer een winkelpand van de gemeente voor de verkoop van tweedehands telefoons. De gemeente heeft het gebied aangewezen voor herontwikkeling en de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2025. Op grond van de wet is de gemeente verplicht de huurder een schadeloosstelling te betalen.
Nog voor het einde van de huurperiode ontstond echter een conflict. De gemeente stelde dat de huurder zijn verplichtingen niet nakwam en startte een kort geding tot ontruiming.
Vordering tot ontruiming
In 2024 en 2025 trad de gemeente op als bestuursorgaan en legde zij de huurder dwangsommen op, omdat deze volgens haar niet voldeed aan de registratieplicht uit artikel 437 Wetboek van Strafrecht en artikel 2:67 APV Nieuwegein. Handelaren in gebruikte goederen moeten hun in- en verkopen registreren in het Digitaal Opkopersregister (DOR). De huurder had dit aanvankelijk niet volledig gedaan, maar later grotendeels hersteld.
Daarnaast beweerde de gemeente dat de onderneming parkeeroverlast veroorzaakte. Op basis van observaties door BOA’s zou sprake zijn van fout geparkeerde voertuigen bij de winkel.
De gemeente stelde dat deze gedragingen in strijd waren met de huurovereenkomst en de openbare orde schaadden.
Verweer van de huurder
De huurder ontkende dat sprake was van ernstige tekortkomingen. Hij voerde aan dat:
· zijn DOR-registratie in orde was, op enkele typefouten na;
· hij zorgvuldig controleert of telefoons gestolen zijn;
· geen sprake is van strafbare feiten;
· de parkeeroverlast niet door zijn klanten werd veroorzaakt;
· en dat de gemeente via het kort geding probeerde te ontkomen aan de verschuldigde schadeloosstelling.
Beoordeling door de kantonrechter
Volgens artikel 6:265 BW mag een verhuurder de huurovereenkomst ontbinden als de huurder tekortschiet in zijn verplichtingen, tenzij de tekortkoming te gering is of ontbinding niet gerechtvaardigd.
De rechter benadrukt dat bij een publiekrechtelijke verhuurder – zoals een gemeente – bovendien strikt onderscheid moet worden gemaakt tussen publiek- en privaatrechtelijke rollen. De overheid mag haar bestuursrechtelijke bevoegdheden niet inzetten ter ondersteuning van een civiele vordering, tenzij daar een legitieme grondslag voor bestaat.
De kantonrechter oordeelde dat de DOR-registratie inmiddels grotendeels op orde was en dat één niet-geregistreerde telefoon niet betekent dat sprake is van handel in gestolen goederen. Dit levert dus geen ernstige tekortkoming op.
Ook de parkeeroverlast bleek onvoldoende onderbouwd. Slechts in twee van de vier waarnemingen was enig verband gelegd met klanten van de huurder, hetgeen door deze werd betwist. Bovendien had de gemeente haar BOA’s specifiek opdracht gegeven om juist bij dit pand te controleren, wat volgens de rechter wijst op mogelijk oneigenlijk gebruik van handhavingsbevoegdheden.
De gemeente stelde dat haar civiele vordering losstond van het handhavingstraject, maar de rechter vond die scheiding niet overtuigend. De gemeente verwees immers zelf naar haar publieke taak inzake handhaving van de openbare orde en bestrijding van ondermijning.
De gestelde tekortkomingen – zowel de onvolledige DOR-registratie als de vermeende parkeeroverlast – vormen geen ernstige wanprestatie die ontbinding of ontruiming rechtvaardigt.
De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming af. De huurder mag het pand blijven gebruiken tot 31 december 2025, de overeengekomen einddatum van de huur.
Rechtbank Midden-Nederland 4 juli 2025, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBMNE:2025:4024.