Nieuwsbrief voor overheden

Per 1 december 2020 is de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 in werking getreden. Wat betekent dat voor de handhaving van de coronamaatregelen?

Op 13 november 2020 werd de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 in het Staatsblad gepubliceerd. De wet wijzigt de Wet publieke gezondheid (Wpg), vervangt de huidige noodverordeningen en is op 1 december 2020 in werking getreden. De wet wordt aangevuld met ministeriële regelingen. In ieder geval de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 en de Regeling aanvullende mondkapjesverplichtingen covid-19 geven straks een nadere invulling aan de wettelijke bepalingen.

Aan het begin van de pandemie hebben de voorzitters van de veiligheidsregio’s op aanwijzing van de minister voor Medische Zorg en Sport maatregelen genomen. In de veiligheidsregio’s is een noodverordening ingesteld op grond van artikel 39 lid 1 van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) en artikel 176 van de Gemeentewet (Gemw).

Artikel 39 lid 1 van de Wvr bepaalt – voor zover hier van belang – dat in geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de voorzitter van de veiligheidsregio ten behoeve van de rampenbestrijding en crisisbeheersing in de betrokken gemeenten bij uitsluiting (van de burgemeester) bevoegd is toepassing te geven aan onder meer de artikelen 172 tot en met 177 van de Gemw.

Artikel 5:4 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie slechts bestaat voor zover deze bij of krachtens de wet is verleend. Er moet dus een expliciete wettelijke grondslag zijn. Een dergelijke wettelijke grondslag voor de voorzitter van de veiligheidsregio ontbreekt in de Wvr. Daarom is er op zijn minst discussie mogelijk over de vraag of de voorzitter tot 24 april 2020 bevoegd was om bestuurlijke sancties op te leggen bij overtredingen van de noodverordening.

Vanaf 24 april 2020 heeft de voorzitter die bevoegdheid in ieder geval, op grond van artikel 34 van de Tijdelijke wet covid-19 Justitie en Veiligheid.

Met de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 krijgt de burgemeester zijn bevoegdheden terug. Artikel 58d van de Wpg bepaalt dat in afwijking van artikel 39 lid 1 van de Wvr voor de bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan, in plaats van de voorzitter van de veiligheidsregio, de burgemeester bevoegd is toepassing te geven aan de in die bepaling genoemde artikelen, met uitzondering van de artikelen 5 en 7 van de Wvr en artikel 176 van de Gemw. Dat laatste betekent dat de burgemeester geen noodverordening mag uitvaardigen. Hij is wel in de eerste plaats het bevoegd gezag.

Door de bevoegdheden aan de burgemeester (deels terug) te geven is er meer ruimte voor lokaal maatwerk. Waar eerst voor een hele veiligheidsregio (die vaak bestaat uit gebieden met een uiteenlopende mate van verstedelijking) dezelfde regels golden waren die regels niet altijd afgestemd op de lokale situatie. Onder de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 is dat wel mogelijk, onder meer omdat de burgemeester (op grond van artikel 58e lid 2 Wpg) de bevoegdheid krijgt om ontheffing te verlenen van (een deel van) de regels.

Op grond van artikel 58d lid 1 Wpg kan de minister, indien de uitoefening van die bevoegdheid leidt tot gevolgen van meer dan plaatselijke betekenis, of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, wel nog steeds besluiten dat de voorzitter van de veiligheidsregio in de betrokken gemeente bij uitsluiting bevoegd is toepassing te geven aan de bij de Wpg toegekende burgemeestersbevoegdheden.

Tot die tijd is de burgemeester op grond van artikel 58u lid 3 Wpg bevoegd om bestuursdwang toe te passen bij de overtreding van het verbod op het openhouden van publieke plaatsen (artikel 58h, lid 1 Wpg), evenementen (artikel 58i Wpg) en de overige regels (artikel 58j Wpg, alleen als de overtreding wordt begaan op een openbare of publieke plaats of een besloten plaats indien deze geen ruimte betreft waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend). Gelet op het bepaalde in artikel 5:32 van de Awb is de burgemeester ook bevoegd om in die gevallen een last onder dwangsom op te leggen.

Ook is de burgemeester op grond van artikel 58u lid 4 Wpg bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen bij de overtreding van het gebod op het houden van een veilige afstand (artikel 58f Wpg) en het verbod op groepsvorming (artikel 58g Wpg). Hierbij geldt eveneens dat deze bevoegdheid er alleen is als de overtreding wordt begaan op een openbare of publieke plaats of een besloten plaats indien deze geen ruimte betreft waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend.

Op straat verandert er niet veel. Het zijn nog steeds de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) en de politie die de maatregelen feitelijk zullen handhaven.

Wet van 28 oktober 2020, houdende Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19): Staatsblad 2020 441

Door Ad Schreijenberg

Actualiteiten overzicht