Nieuwsbrief voor overheden

Op 7 september 2023 werd door Advocaat-generaal (AG) Widdershoven een conclusie uitgebracht aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de vraag of de bestuursrechter minder strikt moet zijn in het handhaven van indieningstermijnen in bezwaar en beroep. Die conclusie strekte ertoe dat de bestuursrechter daar (veel) minder strikt in moet zijn.

Op 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) uitspraak gedaan in de zaken waarin de conclusie werd gevraagd. De conclusie van de AG wordt deels gevolgd: vanaf nu zullen bestuursrechters een termijnoverschrijding vaker verschoonbaar oordelen.

Het CBb heeft, overigens in lijn met de steeds meer burgergerichte koers van de bestuursrechter, overwogen dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen meer rekening gehouden moet worden met bijzondere omstandigheden. Het kan daarbij gaan om persoonlijke omstandigheden (zoals ziekte) of externe omstandigheden (zoals een natuurramp). Kon iemand aantoonbaar wegens dergelijke omstandigheden niet tijdig indienen, dan is dat niet verwijtbaar en kan het niet tijdig indienen die persoon niet worden toegerekend. Voor professionele rechtshulpverleners ligt de lat hoger: er moet sprake zijn van (heel) bijzondere omstandigheden.

Het CBb onderkent dat er daarnaast sprake kan zijn van “geringe verwijtbaarheid”. Of daarvan gesproken kan worden hangt af van de omstandigheden van het geval, waarvan de hoedanigheid van de indiener en de vraag of meer partijen in het geschil betrokken zijn belangrijke elementen zijn. 

Met de AG is het CBb van mening dat aan het bewijs van verschoonbaarheid geen hoge eisen moeten worden gesteld. De indiener zal weliswaar bewijs moeten leveren, maar het bestuursorgaan en de bestuursrechter moeten daarbij behulpzaam zijn.

Het blijft vaste rechtspraak dat zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd, alsnog een rechtsmiddel wordt ingesteld. Waar daarbij voorheen een termijn van twee weken werd gehanteerd, wordt die termijn vanaf nu gelijkgesteld met de wettelijk termijn waarbinnen rechtsmiddelen hadden moeten worden ingesteld (in de regel zes weken).
Het CBb volgt de AG niet, waar de voorstellen van de AG niet in overeenstemming zijn met de wet:
•    De bestuursrechter blijft de tijdigheid van een ingesteld rechtsmiddel ambtshalve beoordelen.
•    De mogelijkheid om pro forma een rechtsmiddel in te stellen wordt niet standaard in de rechtsmiddelenclausule opgenomen.
•    Een bestuursorgaan hoeft een niet-ontvankelijk bezwaar niet altijd op te vatten als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit.

De beoordeling van de zaak die in de uitspraak centraal stond, laat overigens zien dat de nieuwe lijn van de bestuursrechter er niet per definitie toe leidt dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het CBb acht de termijnoverschrijding van een Valkenburgse ondernemer met een beroep op de watersnoodramp die zich daar in de zomer van 2021 voltrok en de coronapandemie niet verschoonbaar, omdat niet aangetoond werd dat deze omstandigheden aan het indienen van een bezwaarschrift in de weg hebben gestaan.

In algemene zin kan echter wel aangenomen worden dat vanaf nu belanghebbenden minder vaak niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

CBb 30 januari 2024, www.rechtspraak.nl; ECLI:NL:CBB:2024:31
 

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team