Nieuwsbrief voor overheden

De bestuurlijke boete onder de Omgevingswet

De bestuurlijke boete heeft een prominente plek gekregen in de Omgevingswet. De belangrijkste wijziging is de introductie van de boetebevoegdheid voor de zogenaamde Seveso-inrichtingen oftewel de bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken en preventiemaatregelen voor zware ongevallen noodzakelijk zijn. 

Grondslag

De grondslag voor de bestuurlijke boete is gegeven in afdeling 18.1.4 (Bestuurlijke boete) van de Omgevingswet. Een bestuurlijke boete kan worden opgelegd bij overtreding van:
•    de milieuregels uit de Seveso III-richtlijn (artikel 18.11 Omgevingswet);
•    de regels over bouwen, slopen, gebruik en het in stand houden van bouwwerken (artikel 18.12 Omgevingswet);
•    de erfgoedregels (artikel 18.13 Omgevingswet);
•    het beperkingengebied luchthaven (artikel 18.14 Omgevingswet); 
•    het beperkingengebied spoor (artikel 18.15 Omgevingswet); en
•    regels over de handel in dieren, planten, hout of producten daarvan (artikel 18.15a Omgevingswet).

Nieuw 

Nieuw ten opzichte van het huidige stelsel is dat de Omgevingswet de bevoegdheid om een boete op te leggen heeft uitgebreid voor de Seveso-inrichtingen (artikel 18.11 Omgevingswet) en de erfgoedregels (artikel 18.13 Omgevingswet). Hierna wordt ingezoomd op de ‘Seveso-overtredingen’.

Seveso, Brzo 2015

Een Seveso-overtreding is een overtreding van de regels uit § 2 en 3 van het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo 2015). Met het Brzo 2015 is de Seveso III-richtlijn geïmplementeerd. Het doel van deze richtlijn is de gevaren te beheersen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, in het bijzonder chemische stoffen. Straks worden de volgende implementatieregels uit het Brzo 2015 overgeheveld naar het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Zie hiervoor hoofdstuk 4 (Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten: inhoudelijke regels) van het Bal. Dit betreft de volgende artikelen uit de Seveso III-richtlijn: 
•    5 (algemene verplichtingen van de exploitant);
•    7 (kennisgeving);
•    8 (preventiebeleid voor zware ongevallen);
•    9 (domino-effecten); 
•    10 (veiligheidsrapport); 
•    11 (wijziging van een installatie); en 
•    12 (noodplannen).
In afdeling 13.4 (Bestuurlijke en strafrechtelijke sancties Seveso-inrichtingen) van het Omgevingsbesluit is de boetebevoegdheid verder uitgewerkt. Met dit nieuwe handhavingsinstrument kan het bevoegd gezag lik-op-stuk-beleid voeren. Dit is vergelijkbaar met de boetebevoegdheid waarover de Inspectie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) sinds 1 januari 2013 beschikt voor de handhaving van de Seveso- of Brzo 2015-feiten die betrekking hebben op de arbeidsomstandigheden en veiligheidsvoorschriften binnen de Seveso-inrichtingen. 

Afstemming

Een bestuurlijke boete heeft een punitief karakter. Aangezien de regels gesteld bij of krachtens de Omgevingswet via de Wet op de economische delicten (WED) strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd, is er dus afstemming nodig tussen de boetebevoegdheden. In artikel 18.16 Omgevingswet is daarom de afstemmingsregel vastgelegd tussen het bevoegd gezag en het Openbaar Ministerie indien ook strafrechtelijke handhaving mogelijk in beeld komt. Over de strafrechtelijke handhaving onder de Omgevingswet wordt in een later blog ingegaan.
 

Actualiteiten overzicht

Maak kennis met onze specialisten

Bekijk ons team